Tags

,

Gemeente van Jezus Christus,

[inleiding]
vandaag het begin van een prekenserie over Jona. Een kort Bijbelboekje, dus juist mooi om helemaal door te gaan de komende tijd. Een bekend verhaal denk ik, zelfs de kinderen hebben er wel van gehoord: Jona en de grote vis. Tegelijk ook een verhaal waar je hele discussies over kan voeren: kan dat nu wel, dat iemand drie dagen in een vis zit? Is dat echt gebeurd? Hoe dan?
Dat is echter niet waar het in dit boekje om gaat. Niet over een spectaculair wonder gaat het, maar over hoe God is. En over hoe wíj zijn, daar tegenover. Ik heb thuis een boek, en dat heet “Jona: gij en ik”. Dat is heel in het kort waar het over gaat. De dwaze dingen die Jona doet en denkt, die zijn niet zo ver van ons af! Jona is een mens, een gelovige, maar niet een lichtend voorbeeld. Hij is heel menselijk, al te menselijk zelfs. En juist daarom staat hij zo dicht bij ons. Jona: u en ik! Door de geschiedenis van Jona (“duif”, betekent zijn naam) leren we onszelf kennen, en we leren ook God kennen. God, die toch deze rare vogel niet loslaat!

[God sprak tot Jona → hoe tot ons??]
Laten we maar gewoon bij het begin beginnen. We hoorden het net: “het woord van de Here kwam tot Jona”. Jona was een profeet, iemand die sprak namens God. In het Bijbelboek Koningen komen we zijn naam tegen als profeet. Een postduif. Hij hoorde Gods stem, kreeg opdrachten van God, heel concreet. Hoe dat precies ging weten we niet: een stem, hoorbaar, of in zijn hart. Een droom? Een visioen? Hoe dan ook, het woord van de Here kwam tot Jona: hij moest gaan preken tegen Nineve.
En dan denkt u misschien: O, daar gaat het meteen al fout. Wij zijn net als Jona zei u? Nou, ik hoor toch nooit de stem van God zo! Nog nooit een briefje uit de hemel gehad, zogezegd. Nee, ik lijk volgens mij helemaal niet op Jona!
Maar dan wil ik toch zeggen: Is dat zo? Hebt u nog nóóit iets van God gehoord?? Dat zou toch wel droevig zijn! Natuurlijk, Jona was een profeet, dat zijn wij niet. Maar toch, hoe vaak is het woord van de Here niet tot ons gekomen?? Gewoon in de kerk, of vanuit de Bijbel, een lied of een boek? Zegt God ons ook niet duidelijk wat we moeten doen? Eerst maar gewoon in het algemeen: u hebt toch vast wel die stem gehoord: “geef mij je hart”, “Bekeer je en geloof het evangelie”, “word een volgeling van Jezus”? Telkens weer kunnen we dat horen, en anders hoort u het bij deze: God wil dat u met Hem leeft, voor Hem, en daar het ware geluk vindt. En de vraag is: wat doen we ermee? Staan we op, gáán we op weg? Want in deze verzen uit Jona zien we helaas dat het ook anders kan. Jona hoort het wel, maar hij luistert niet. Nog erger, hij vlucht zelfs voor deze stem! Want liever volgt hij zijn eigen zin, hij wil zich niet onderwerpen.
En ook op een andere manier komt de stem van God tot ons. In ons hart, als we een klein stemmetje horen dat zegt dat je iets moet doen; of juist iets niet moet doen. Niet luid, maar je hoort het zeker!Bijvoorbeeld als je wéét dat je iets moet doen, maar het toch niet doet. U wéét wel dat u zich zou moeten verzoenen met die ander waar u ruzie mee hebt. De Bijbel zegt het, in uw geweten klinkt het. Maar u wilt het niet horen. Niet de minste zijn. Die ander is immers de grootste oorzaak?
Of jij, je hoort wel die oproep van binnen: stop met die slechte gewoonte! Kom terug op die foute keuze. Je denkt: “ik zou toch eigenlijk…” Maar wat doen we ermee?? Maar al te vaak doen we net als Jona: we horen het wel, maar we lopen ervoor weg. Ook als gelovigen. Want Jona, met al zijn fouten, was iemand die God kende. En óók dan kan het blijkbaar zo gaan: niet luisteren!

[redenen voor Jona’s onwil]
“Jona heeft God wel verstaan, maar hij stoort er zich niet aan”, zegt een kinderliedje. Hij heeft géén zin in deze opdracht!
Waarom niet? Hij moet gaan preken in Ninevé. De hoofdstad van het Assyrische rijk, destijds de voornaamste vijand van zijn volk. Zou hij dáár gaan preken? Om te beginnen is dat een zware taak. Eerst een lange reis maken, en dan, als hij daar is? Hij kan het zich al voorstellen: hij als buitenlandse profeet die daar gaat staan preken op een plein. De mensen zullen wel gewoon doorlopen. Of ze zullen hem uitlachen. Of misschien wordt hij wel opgepakt, en in de gevangenis gegooid, of nog erger… Hij ziet die mensen als vijanden, en hij kan zich niet voorstellen dat hij daar veel goeds te wachten heeft. Voor deze opdracht vlucht hij liever.
En heel diep zit er nog wel iets anders achter. Want stel dat de mensen in Ninevé toch wél zouden luisteren… God zei het net: het kwaad van Ninevé is opgestegen voor Zijn aangezicht. Dat betekent dat de stad Gods oordeel, zijn straf te verwachten heeft. De grootste vijand van zijn land getroffen door Gods toorn, dat ziet Jona wel zitten. Maar nu moet hij ze gaan waarschuwen van God… Dat is gevaarlijk! Dan is er het risico dat ze zich nog zouden bekeren. Dat ze niet gestraft worden. En dat moet Jona net niet hebben! Jona zegt het zelf in hoofdstuk 4: ‘ik wist wel dat u een genadig en vergevend God bent… dáárom ben ik gevlucht naar Tarsis’.
Hier blijkt wel heel scherp hoe krom het er in een mensenhart aan toe kan gaan. Dat je je ergert aan wat God wil en doet. Ja, liever je eigen zin dan dat Zijn bedoeling gebeurt. Was God maar meer als wij! Waarom kan het nu niet gewoon via de weg die ons aanstaat, moet het zoals Híj wil?

Maar Zijn aanwijzingen zijn onwrikbaar. Ook nu. Dít moet je doen! Dáárheen. Leg die ruzie bij! Kom terug op die keuze! En al weet je diep in je hart dat Zijn bedoeling de beste is, toch kan het je irriteren. Waar bemoeit Hij zich mee? Was God maar meer als wij! Maar nee, het is andersom: wij moeten meer als Hij worden. En dat gaat tegen jezelf in. Jezus volgen is “je kruis opnemen”, zoals Hij zelf zegt. En soms vluchten we daarvoor, net als Jona.

[Jona’s vlucht en onze vlucht]
Zo gaat Jona er vandoor, voor deze opdracht van God. Niet naar het oosten gaat hij, naar Ninevé, maar naar het westen, naar de havenstad Jafo, het tegenwoordige Jaffa. Opvallend is dat Jona niets zégt: hij doet alleen, hij komt in actie. Hij vraagt niet aan God wat de bedoeling is, hij legt zijn gevoelens en afkeer niet voor aan de Heere, in een gebed. Had hij dat gedaan, dan was het wel anders gelopen. Maar het contact wordt verbroken, en dáár begint de ellende mee. Als u het niet met God eens bent, alstublieft, spreek het dan uit naar Hem! Wees niet als Jona, die blindelings wegrent. Want zodra hij dat doet, gaat het bergafwaarts met hem. Dat staat er letterlijk zo in het Hebreeuws, drie keer maar liefst. Hij daalde af – naar Jafo; hij daalde af – aan boord van het schip; hij daalde af – in het ruim van het schip. Bergafwaarts, als je niet wilt buigen voor God!
Onrust, dat krijg je er ook van. Heel opvallend is dat in de grondtaal, al die beweging in vers 3: ‘…en hij daalde af, en hij vond, en hij gaf, en hij ging aan boord’, achterelkaar door. De vertaling heeft er helaas drie zinnen van gemaakt, maar het is er één. Snel, dit – dat – dat, weg! Wie zich niet aan God onderwerpt, heeft geen rust.
En tweemaal dat refrein: “…weg van het aangezicht van de HEERE”. Alsof dat kan! Is onze God niet overal? Psalm 139 zegt het: “waar kan ik uw Geest ontgaan, waar voor uw aangezicht vluchten?” Andere volken dachten destijds dat dat wel kon: dat elke regio zijn eigen godheid had. Dan kon je écht aan een god ontkomen door te reizen, weg uit zijn invloedssfeer. Maar Jona moet toch beter weten? Straks zegt hij het “ik vrees de God van de hemel, die de zee en het droge gemaakt heeft”. De God van Israël is de God van de hele aarde. Ergens wéét Jona wel dat het zinloos is, maar toch gaat hij, om onder het bevel uit te komen. En nu nog: je wéét dat het geen zin heeft om onder God uit te komen. Dat is met eerbied gesproken, het irritante van God: nóóit ben je van Hem af. Maar toch… al te vaak proberen we het. Alsof dat zou kunnen!
Bergafwaarts, onrust, zinloze vlucht. En tenslotte: afsluiten en afstompen, als je niet naar God wilt luisteren. Jona gaat naar beneden, in het ruim. Hij gaat liggen en doet niets meer. Ogen dicht, slapen! Hij kan niet genieten van deze eerste zeereis in zijn leven. Hij maakt geen contact met de anderen aan boord. Let maar op: als er in úw leven iets niet goed zit en u loopt er voor weg, dan verlies je de openheid. Voor anderen, voor de wereld. Misschien sluit je je ook af als Jona, misschien doe je net of er niets aan de hand is. Maar het werkt niet. Je kunt niet meer onbevangen in de wereld staan, want er zit iets tússen. Ten diepste tussen jou en God. Ja, en dan ga je maar slapen; nergens aan denken, niet onder ogen zien… Maar echt gelukkig word je er niet van!

[God laat hem niet gaan!]
Intussen heeft Jona toch het gevoel dat hij het goed voor elkaar heeft. Hij vindt toch dat hij het slim geregeld heeft nu. Op een boot, op weg naar Tarsis, ver in het westen. Vér weg van God en van Ninevé. Dat ging allemaal heel voorspoedig tot nu toe! En dat het hem veel geld kost voor een scheepsticket, neemt hij op de koop toe. Mooi zo, weg van God, weg van die vervelende opdracht. Wat hem betreft gaat hij door op deze koers!
Maar… al vlucht Jona weg, al wil hij los zijn van de God, God wil niet los zijn van Jona. Hij wil niet van hem af! Want zo verliest Jona het echte geluk: een leven in dienst van God. Zo horen de mensen in Ninevé niet de boodschap die ze moeten horen. En daarom grijpt God in! “Hij gooit een hevige wind op de zee” staat er, het gaat stormen! Levensbedreigend, want de schepen van toen waren niet groot en niet zo stevig als nu. Als je het hoort zou je zeggen: nu wordt Jona getroffen door Gods straf, Gods oordeel! Nu krijgt hij het verdiende loon voor zijn ongehoorzaamheid, zijn dienstweigering. Dat krijgt hij ervan, Gods woede over zich heen.
Ja, dat zou je denken. Maar dan hebben we dit verhaal toch nog niet gepeild. Die storm, hoe vreemd het ook klinkt, is een teken van Gods genade! De Here laat Jona niet over aan zichzelf, zijn zelfgekozen weg, wég van Hem. Hij had Jona ook los kunnen laten. “OK, jij wilt mij niet dienen, zoek het dan zelf maar uit”. Dat zou eerlijk zijn geweest. Hij had hem ook kunnen laten omkomen in die storm. Dat zou rechtvaardig zijn geweest. Maar God doet het niet. Hij straft niet, hij laat Jona ook niet gaan, maar hij houdt hem tegen!
Genáde is deze storm. Om Jona terug te krijgen, al wil hij dat zelf niet. Genade, als God ons terugroept. Ook al komen daar soms stormen aan te pas, pakken zich donkere wolken samen boven uw leven. Moet je leven eerst vastlopen, zodat je wakkergeschud wordt. Zoals de kapitein bij Jona doet: “Hoe kún je zo diep in slaap zijn! Sta op, roep tot je God!” Juist ja: word wakker! Sluit je niet meer op in je eigen gelijk, je diepe slaap van ongevoeligheid. En roep tot God! Ga weer bidden!! Dat is niet prettig, als de Here ons moet wakker schudden, op wat voor manier dan ook. Als Jona meteen geluisterd had, was die storm trouwens ook niet nodig geweest. Maar komt hem achterna in die storm. Niet zijn ondergang, maar zijn redding! De Heere kon hem ook al slapend laten vergaan, of laten wegvaren voor altijd; naar Tarsis, weg van het aangezicht van de Heere. Maar God wil mensen als Jona wakker schudden, gelukkig. Mensen als u en ik, die liever ons eigen plan volgen en bij Hem vandaan gaan. Als Hij ons niet zomaar laat gaan is dat genade! Genade voor Jona, voor Ninevé, voor ons.

[Slot]
Want zo is onze God: genadig en barmhartig, geduldig en rijk aan goedheid. Dáárom stuurde hij Jona naar Ninevé, dáárom komt die storm op Jona’s schip. Daarom roept Hij ook ons, om terug te keren naar Hem, als we zijn afgedwaald of bewust weggelopen. Daarom is er altijd een weg terug.
Hoe genadig en barmhartig de Here is, zien we ten diepste bij Jezus. Waar Jona omlaag ging, weg van God – afdalen, afdalen, afdalen; waar de mensen, ook u en ik, in dat spoor volgen… daar daalt ook Jezus af. Hij daalde af uit de hemel, om zulke weglopende afdalers op te zoeken. Hij daalde af, tot de laagste plaats. Tot in het laagste scheepsruim waar u misschien zit. Ja, Híj verzonk in de zee, in de storm die ons had moeten treffen. Hij daalde af in de dood, in het graf waar wij zo hard naar op weg zijn. Om ons er uit te halen, terug te halen van die verkeerde weg. Van dat beter weten, dat niet willen luisteren, je eigen weg kiezen.

Jezus daalde af, om u, om jou terug te halen. Láát je dan terughalen, kom terug. Wij hebben vaak van die vreemde ideeën over God. Eerst willen we niet luisteren, en daarna denken we dat we wel niet meer mogen komen. Maar zo is het niet! Er is altijd een weg terug. De vader van de verloren zoon stond al op de uitkijk. Al ben je duizend stappen weggelopen, de weg terug is altijd maar één stap.
Alleen wel één ding: dan moet je wel gehoorzaamheid leren. Je in alles onderwerpen aan Hem. Naar Ninevé gaan, zijn weg volgen, opgeven wat niet past bij Hem. Dat is even slikken, dat gaat tegen jezelf in. Maar gelukkig: ook daarin gaat Jezus ons voor. Hij wil het je leren, Hij wil het zelf geven: een heel nieuw leven.
Laat dan zo het verhaal van Jona een spiegel voor ons zijn. Loop niet weg voor God, want Hij is de beste Heer die er is. Leer hem juist steeds meer kennen, dan begrijp je ook meer en meer wat Hij wil en waarom dat goed is. En ben je zo iemand die wel erg op Jona lijkt: keer terug! Dat kan altijd! Alleen bij God is geluk, alleen bij Hem is vrede. Geef je eigen plan dan op, en volg Hem!

Amen

Advertenties