Tags

,

1. Ik dacht: ‘Pas op! Er mag in wat ik zeg
niets zondigs zijn, zelfs niet één woord.
Ik zorg dat ik mijn tong aan banden leg,
omdat wie God niet kent mij hoort.’
Er kwam geen enkel woord meer uit mijn mond,
maar zonder dat ik vrede vond.

2. Ik zuchtte, want er broeide iets in mij;
mijn leed werd tot een laaiend vuur.
Toen hield ik het niet langer uit en zei:
‘HEER, wanneer slaat mijn laatste uur?
Toon mij de dag waarop ik heen zal gaan.
Laat mij mijn kwetsbaarheid verstaan.’

3. Een handvol tijd, dat is wat U mij geeft.
Elk mensenkind is maar een zucht,
een schaduw die geen duur of vastheid heeft.
Wat hij vergaart is enkel lucht.
Al heeft een mens ook schatten, als hij sterft
is er een vreemde die ze erft.

4. Wat is het dan, mijn Heer, dat ik verwacht?
Bij U alleen is hoop voor mij.
Zorg dat de dwaas niet spottend om mij lacht.
Maak mij van al mijn zonden vrij.
Ik ben verstomd, ik zwijg omdat ik weet:
U zelf, Heer, stuurde mij dit leed.

5. HEER, ik bezwijk, uw straf is mij te zwaar.
Kwel mij niet langer, stop met slaan!
Als iemand zondigt, staat U woedend klaar.
U laat zijn schoonheid snel vergaan
wanneer hij wordt getroffen door uw tucht.
Elk mensenkind is maar een zucht.

6. Hoor mijn gebed, HEER, luister naar mijn klacht
en heb toch oog voor mijn verdriet.
Ik leef bij U, net als mijn voorgeslacht
als vreemde zonder grondgebied.
Laat mij met rust, dat ik wat vreugde ken
zolang ik nog in leven ben!

© 2017 Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel. Alle rechten voorbehouden

Advertenties