Tags

, , ,

Gemeente van Jezus Christus,

[intro]
We gaan vanavond in de leerdienst weer verder met onze reis door de geloofsbelijdenis. Die reis brengt ons, al is het midden in de zomer, vandaag bij het Kerstfeest! Geen kerstfeest van sneeuw, kerstmarkten en kerstballen, maar dat waar het met kerstfeest echt om gaat: de geboorte van Jezus Christus. Of theologisch gezegd: de incarnatie, de vleeswording, God die mens werd! Dit wonder is te groot om het alleen voor de decembermaand te reserveren, we mogen daar ook vanavond over nadenken.
We doen dat aan de hand van de Heidelbergse catechismus, vraag 35 en 36. Daar wordt echter veel te veel aangedragen om in één keer te behandelen. Zo gaat het over de menselijke natuur van Jezus – dan brengt bij wat theologen de ‘tweenaturenleer’ noemen, het feit dat Jezus zowel God is als mens. Dit onderwerp hebben echter enige tijd geleden al behandeld, toen het ging over dat Jezus de Middelaar is, dus dat laat ik nu liggen. Ook wordt genoemd dat Jezus geboren is uit de maagd Maria – dat brengt ons bij de maagdelijke geboorte en alle vragen die dat oproept. Ook dat laat ik nu liggen. Tenslotte heeft de catechismus het over de zonde waarin ik ben ontvangen en geboren – dan komen we bij het onderwerp van de zogenaamde erfzonde. Ook dit kwam eerder al aan de orde, toen het ging over de zondeval.
Vanavond focussen we eenvoudig op één ding, de absolute kern: God werd mens. Daar is al méér dan genoeg over te zeggen, het is een wonder dat ons verstand te boven gaat. Het is góed dat we hier eens bij stilstaan. God werd eens mens; wat betekent dat, en in het bijzonder: wat betekent dat voor óns. Zoals de catechismus terecht vraagt: welk nut heeft het ? God werd mens, een kerstpreek op deze zomeravond.

[mensen in de modder en God in glorie]
Laten we eerst eens kijken naar die twee, God en mens. Wat een enorm verschil is er tussen die twee. De één is sterfelijk en stoffelijk, de ander is eeuwig en geestelijk. De één is beperkt, de ander almachtig. De mens is schepsel, God is de schepper. Zo kan ik wel door gaan.
Wie is God? Hij is het die, zoals de Bijbel zegt, een ontoegankelijk licht bewoont. Hij is hemels, de hemel is zijn werkelijkheid. Bij Hem is één en al licht en glorie, schittering en helderheid. Hoe anders dan hier op aarde! Bij Hem is alles goed, volmaakt, heilig. Nooit klinkt daar een wanklank, maar van eeuwigheid tot eeuwigheid klinkt de muziek van de engelen ‘heilig, heilig, heilig is ode HEER onze God’. God, Hij is er altijd geweest en Hij zal er altijd zijn. Als wij aan de toekomst denken is daar altijd de horizon van onze dood, maar bij Hem niet. Hij is eeuwig, Hij heeft de tijd; duizend jaren zijn voor Hem als één dag. God is bovendien de drie-enige. Hij is niet eenzaam in zijn eeuwigheid, nee! Hij is Vader, Zoon en Heilige Geest, die samen één zijn en toch drie. Dáárom kunnen we zeggen ‘God is liefde’, omdat Vader, Zoon en Geest elkaar liefde geven en liefde van elkaar ontvangen. God – wat kan ik nog meer van Hem stamelen…? Hij gaat ons begrip ver te boven. Maar dit begrijpen wij: Hij is goed en groot en heilig en bij Hem is het goed.
En dan, aan de andere kant, wat is een mens? Allereerst een schepsel van God. Het feit dat u een mens bent, geeft u al waarde. Maar, aan de andere kant, een mens is helaas altijd een mens in de modder. Wij leven in deze wereld vol donkerheid, waar de dood dreigt. En zelf maken we het alleen maar erger. We maken elkaar het leven zuur, we verdelen de overvloed op aarde oneerlijk, we vernielen de schepping… Sterker nog: ín ons is die donkerheid. Een mens is slachtoffer en dader tegelijk. In ons leeft woede en haat, oneerlijkheid en wrok. We kunnen veel als mens, maar altijd komt er misbruik. We zien best wat er beter zou kunnen, maar we doen het niet. We zitten in een put waar we zelf niet uitkomen. Zo heeft God ons niet gemaakt, maar zo is het nu wel! Mensen in de modder! Houdt u dat even vast.

[Jezus’ vernedering]
Wat is er dan een kloof tussen God en zijn hemelse wereld, en wij, mensen in de modder! Wat een verschil van dag en nacht. Het moge duidelijk zijn dat wij mensen nooit God bereiken kunnen, we zitten vast in het moeras. Maar God dan, de Drie-enige, de heilige Schepper? Als Hij kijkt naar wat er van zijn schepping terecht gekomen is, wat is dan zijn reactie? Ik kan me zo voorstellen dat Hij boos wordt om wat ervan geworden is, dat Hij zich in woede of walging, afkeert. Dan Hij zijn heilige handen aftrekt van ons, onheilige mensen. Ze zoeken het maar uit! Ze laten mij links liggen, wel, dan ik ook hen!
Echter, zo doet God niet! Dat is het grote wonder, dat is het evangelie. Gods reactie is er één van ontferming! Hij ziet heel goed hoe wij er aan toe zijn. Maar Hij – Hij krijgt medelijden! Medelijden met mensen in de modder. Hij ziet zijn schepselen, zijn mensen, in nood, in de greep van de dood. En al is dat nog zozeer onze eigen schuld, Hij wil helpen! Hij wil mensen redden en in zijn licht zetten.
Hoe zal dat echter gaan? Ik zei al, wij mensen kunnen ons niet omhoog werken en zo God bereiken. Kijk, en daarom, daarom is God omlaag gekomen! Hij, God de Zoon, werd een mens, een mens in de modder. Hij kwam naar ons toe om ons te redden! Is dat niet ongelooflijk? Want denk eens aan wat Hij achterliet. De glans en glorie van zijn huis, de innige nabijheid van de Vader en de Geest, de hele sfeer van heilige liefde die zijn domein was! Zou u dat ooit verlaten? En waarvoor? Om te leven op de aarde, waar mensen liefhebben maar ook haten, waar het leven hard is, waar de zonde de atmosfeer vervuilt, waar de dood heerst. Ja, sterker nog – de Zoon werd een mens, onderworpen aan de dood. Hij trok maar niet even een mensenlichaam aan, zoals goden in heidense mythes, Hij wérd een mens. Zodra Hij ervoor koos om geboren te worden, stond vast dat Hij moest sterven. Kunt U het zich voorstellen, dat je eeuwige onsterfelijkheid opgeeft? Dat je je almacht laat varen, om een hulpeloze baby te worden, een beperkt mens? Om als schepper een schepsel te worden? Jezelf over te leveren aan de modder, en aan de mensen in de modder? Want u weet hoe het afliep met Jezus!

[wees onder de indruk!]
Dít deed God, God de Zoon: Hij werd mens, om ons op te zoeken en te redden. Over ‘redden’ horen we de volgende leerdienst meer. Maar is het al niet wonder genoeg dat de hoge God ons opzoekt? Niet maar een hand uitsteekt uit den hoge, om u op te tillen, maar dat Hij zelf naar beneden komt? Hij heeft zichzelf ‘ontledigd’, schrijft Paulus. Letterlijk: léég gemaakt. Alle heerlijkheid eruit, om aan de mensen gelijk te worden. Wat wint Hij ermee? Niets! Of toch: Hij wint óns ermee, althans dat is zijn doel. Zou je hier niet diep van onder de indruk raken? Pure, ontfermende liefde zie je hier op zijn duidelijkst. Zoveel opgeven, om modderige mensen te redden. Is dit geen reden om Hem vol ontzag te aanbidden? Aan bid Hem, niet omdat Hij hoog is, maar juist omdat Hij laag werd!
En dan te bedenken dat dit nog maar de eerste tree is in zijn vernedering. De eerste stap: God werd een mens. Maar het ging verder. Deze mens, Jezus, werd miskend. Hij werd gepijnigd en vermoord. Hij ging onder. Hij, Hij die God is, er bleef niets van over! Hoe kan dat? Het is niet te vatten. Maar zóver wilde Hij gaan: niet alleen tot in een kribbe, ook tot aan het kruis en tot in het graf. Onbevattelijk, om stil van te worden.
God werd een mens. Wat is dit een wonder van begin tot einde. Wat zien we hier hoe God is: vol ontferming en genade en liefde!

[kan God onze noden begrijpen?]
God werd een mens. Dit heeft voor ons nog een belangrijk gevolg. en ook daar wil ik iets over zeggen. Ik schetste u eerder het verschil tussen aan de ene kant God in zijn heerlijkheid en aan de andere kant al het menselijk gebeuren hier op aarde. Laten we dat eens toepassen op het gebed. Kan God, om het met eerbied te zeggen, eigenlijk wel onze noden begrijpen? Hij is immers zo anders als wij. Als bijvoorbeeld een oudere in het gebed zegt: ‘Here, nu heb ik telkens zo’n pijn van de artrose, ik word er zo moe van en ik kan er slecht van slapen. Helpt u mij toch!’ Bedenk dan wel even : in de hemel is geen pijn. God kent geen vermoeidheid. ‘De schepper van de einden der aarde wordt niet moe en raakt niet uitgeput’ zegt de profeet Jesaja. Als een jongere bidt: ‘Vader in de hemel, niemand begrijpt me, ik voel me zo eenzaam’ – dan moet je wel bedenken dat de Drie-enige God nóóit eenzaam is, Hij is altijd in een gemeenschap van liefde als Vader, Zoon en Geest. Dus hoe kan Hij hierin komen, met eerbied gezegd? En denk ook hieraan, een gebed dat ik helaas vaak moet bidden: ‘Here, ik heb wéér die neiging om die-en-die zonde te doen, bewaar me, geef me kracht!’ – bedenk dan wel dat God geen zonde kent, en dat er bij Hem in de hemel geen verleiding bestaat tot het kwade.
Kan God de Here onze noden wel aanvoelen, inleven, weet Hij ervan? Dan is het antwoord: Ja! Gelukkig wel! Immers, God is niet alleen degene hoog in de hemel. God werd een mens! Jezus Christus weet écht wel wat het is om pijn te hebben, of eenzaam te zijn, of verleiding te voelen. Hij is een mens geworden. En tot Hém mogen we bidden. We hoorden ervan uit de Hebreeënbrief “daarom moest Hij in alles aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou zijn…een hogepriester die medelijden kan hebben met onze zwakheden, Eén die in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht”. Is dat niet geweldig? Hij is onze lotgenoot, om het zo eens te zeggen. Hij begrijpt precies wat het is om mens te zijn op deze aarde.

[breng je noden vertrouwend bij God]
En daarom: breng al je menselijke zorgen, problemen en zwaktes maar bij Hem! Als je moet zeggen: ‘Here, het is zo moeilijk om volgens uw wet te leven!’ Dan zegt Hij niet, met eerbied gezegd: ‘Hoezo? Het is de beste wet die er is, en mijn weg brengt je bij het hoogste geluk. Ik snap niet dat mensen die weg níet volgen!’ Nee, als u belijdt hoe moeilijk het is om naar Gods wet te leven, dan zegt Jezus Christus, onze grote hogepriester: ‘Mijn kind, ik weet het. Ik weet hoe alles om je heen aan je trekt, de verkeerde kant op. Ik weet wat er in je hart leeft en hoe moe je daarvan worden kunt’. Maar Hij zegt ook: ‘Ik heb altijd geleefd naar Gods geboden. Ik geef je mijn kracht, om achter mij aan te gaan op de smalle weg’. Hij is in alles verzocht geweest zoals wij, alleen Hij viel niet!
Of denk aan iemand die eenzaam is. Hij of zij bidt: “Here, sta me bij, ik ben zo alleen, zo leeg is het om me heen”. Als je je dan richt tot ‘God hoog daarboven’ denkt je misschien alleen aan een ingrijpen van boven dat alles anders maakt. Maar als je denkt aan Jezus, onze barmhartige hogepriester en je richt je tot Hem, dan ga je zeggen “Here Jezus, hoe eenzaam bent U niet geweest, zelfs midden onder de mensen – een eenling. Hoe alleen was u niet, toen in de tuin waar al mijn vrienden u verlieten. Heer, u weet wel wat eenzaamheid is. U bent nog eenzamer geweest dan ik, toen in het donker, aan het kruis, toen zelfs God de Vader U verliet en de Geest van u week. Zo eenzaam kan ik nooit zijn, want dankzij U is God altijd bij mij. Troost mij door uw aanwezigheid, Heer, u die zelf zo goed weet wat het is, om eenzaam te zijn”. Zo kan ik me voorstellen dat iemand bidt die weet van Jezus, de barmhartige hogepriester die zelf een mens werd.
Zo kunnen we alles in ons mensenbestaan door Jezus Christus tot de Vader brengen. Uw pijn – hij kent pijn, Hij heeft geleden. Angst voor de dood – Hij weet ervan, denk aan Getsemané. Onzekerheid, onrecht – Hij maakte het mee. Maar ook, laten we dat niet vergeten, alles wat ín ons is. Jezus kende óók de neiging tot zonde – Hij gaf er alleen niet aan toe! Hij had ook, ik zeg het maar eenvoudig, seksuele verlangens die niet bevredigd konden worden. In álles is Hij mens geweest, mens als u en ik – alleen dan deed Hij niets verkeerd. En daarom: Hij begrijpt uw leven, uw noden, uw neigingen. Breng ze maar bij Hem!

[samenvattend slot]
God werd mens! Wat een geweldige waarheid is dit! laten we die vanavond diep in ons hart bergen. Allereerst omdat het je diep onder de indruk brengt van de ontferming, de liefde die God heeft voor een mensheid in de modder. Hij geeft geen adviezen vanaf de kant, Hij gooit geen touw, nee, Hij is zelf gekomen naar waar wij zijn. Wát moest de zoon niet opgeven daarvoor, en waar is Hij in hemelsnaam in terechtgekomen! Als je dat beseft, past er maar één ding: Hem vol ontzag eren en aanbidden, en Hem je leven wijden.
En ten tweede mogen we altijd vol vertrouwen tot Hem bidden, wetend dat hij uw situatie begrijpt. God werd een mens, Hij kent ons bestaan. En juist dáárom kun je je ermee tot Hem wenden. Hij weet ervan, Hij staat naast u, Hij wil helpen!
God werd eens mens. En daarom: lof zijn Christus, in alle eeuwigheid. Amen

Advertenties