Tags

,

Gemeente van Jezus Christus,

[intro: gemopper]
het valt mij af en toe op hoeveel er gemopperd wordt in ons land. Als je luistert op een verjaardag, als je ingezonden brieven leest in Altena Nieuws, en vooral ook op de sociale media. Ik heb van de week de lezerscommentaren op nu.nl eens goed bekeken. Met de meeste mensen gaat het helemaal niet slecht, we zijn één van de welvarendste landen ter wereld, en toch… Er heerst, zo zei iemand treffend, een sfeer van “met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht”. Vooral naar de overheid toe spreken mensen wantrouwen uit, of ontevredenheid. ‘Stelletje incompetente kletsers’, hoor je, of ‘ze zorgen vooral goed voor zichzelf’. Ik hoor zelden iets positiefs over ambtenaren, wethouders of ministers, vooral veel gemopper. Herkenbaar?
Als het over maatregelen van de regering gaat, hebben mensen al heel snel hun mening klaar. En die mening is meestal dat ze het er niet mee eens zijn. Jouw bouwvergunning afgekeurd? Ongehoord, reden om te mopperen. Bouwplan van de buurman goedgekeurd? Onbegrijpelijk, ook reden tot ontevredenheid. Of denk aan de aanpak van het stikstofprobleem, de afgelopen week zo in het nieuws. De een vindt dat de regering veel te weinig doet, de ander vindt ze compleet in de greep van de milieumaffia.
Zo wordt er heel wat afgemopperd, misschien ook wel door ons. Uiteindelijk gaat het er meestal om, heb ik de indruk, dat de dingen niet gaan zoals wíj willen. Maar…we moeten niet denken dat dit iets is van alleen onze tijd. Ook in de Bijbel is er ontevredenheid, wordt er gemopperd. Op de leiders, meer nog: op God zelf… Dat zien we wel heel duidelijk in het Bijbelgedeelte dat we zojuist samen lazen. Drie maal maar liefst klaagt en mort het volk Israël. ‘Murmureren’ zegt de oude vertaling met een mooi woord. De zaak waar het over gaat is echter helemaal niet fraai!

[het verhaal kort]
Wat is er aan de hand? De Israëlieten zijn door de HEER bevrijd uit de slavernij in Egypte. Met grote macht heeft Hij ze weggehaald uit het slavenhuis. Ze zijn zojuist dwars door de Rietzee getrokken, waar Gods hand een wonderweg maakte. Je zou zeggen: nu zijn ze vast wel diep overtuigd van Gods macht en zorg! Maar nee… drie dagen na de doortocht zijn hun waterzakken leeg, en meteen klinkt hun geklaag. De HEER helpt ze en geeft water. Net een maand later morren ze weer, nu omdat het eten opraakt. Hebben ze niets geleerd? En ze klagen niet zo’n klein beetje, nee, ze zeggen zelfs ‘waren we nog maar slaven!’ Ze klagen over Mozes, hun leider: ‘je hebt ons hier gebracht om ons te laten sterven!’. Wat een onredelijk gemopper. Weer helpt de Heer. Maar nógmaals, een derde keer, bij Refidim, als er geen water is, klinkt luid het gemor. Ongelooflijk toch? Júist als je zoveel van Gods macht hebt gezien, zou je dan niet iets meer vertrouwen mogen hebben?
En toch, voor we ons hoofd schudden: zou u en zou jij het echt zoveel beter doen? Bedenk wel: water is een eerste levensbehoefte, zeker in de woestijn. Als je dadelijk dreigt dood te gaan, zou je dan alleen rustig vertrouwen, of zouden wij ons ook beklagen? Er is echte nood hier! Geen water in de woestijn is wel iets anders dan dat de BTW van 6 naar 9 % gaat.
In nood mag je best roepen. En toch, het gaat erom op welke toon de klacht klinkt. En die toon, die is hier niet best. ‘Waren we maar dood… waren we maar nooit vertrokken’. Hoe ze de schuld geven aan Mozes.. Blijkbaar is een leider altijd voorwerp van kritiek, toen en nu! Maar waar is het vertrouwen van het volk op God?
Rabbijnen zeggen: het volk had nog een slavengeest, omdat ze eeuwenlang slaaf waren geweest in Egypte. Daar zit wel wat in. Maar volgens mij kun je nog beter zeggen: het volk handelt hier als kleine kinderen. Wie zelf kinderen heeft weet het: die kunnen ook heel onredelijk zijn, als het niet gaat zoals ze willen. Israël is hier een klein kind in het geloof. Hun reis met God is nog maar net begonnen, letterlijk en figuurlijk. Vertrouwen, ook als het moeilijk wordt, is iets wat je moet leren. Hoe ver bent u daarin, trouwens, of jij?

[de nood, toen en nu]
Wat was de nood van de mensen toen? Wat liet hen zo mopperen en de moed opgeven? Heel concrete nood: water dat opraakt, en voedsel. Vergeet niet dat ze zich in de woestijn bevinden, de wildernis zonder winkels. Het volk Israël is helemaal afhankelijk van Gods zorg, zodra hun voorraden uit Egypte op zijn. De woestijn is een plek waar ze moeten leven van wat God ze geven zal. Ze hebben het zelf niet in de hand. En weet u, dat ligt mensen niet, toen niet en nu evenmin. Als we maar moeten afwachten wat er over ons besloten wordt. Zou daar misschien zoveel gemopper van komen op mensen met macht over ons? En in het geloof is het niet anders. Als je in God gelooft, hem erkent, is het nog niet eenvoudig om afhankelijk te moeten zijn van Hem alleen.
Bij ons zal er gewoonlijk geen gebrek aan water of eten spelen. Maar er zijn allerlei dingen die wij als nood kunnen ervaren, als bedreigend. Ik moet meteen denken aan ziekte. Hoe moeilijk is dat! Onzekerheid over je toekomst, afhankelijk zijn van hulp. Of wanneer je werkloos bent. Wat kan dat je leven overschaduwen. Je moet maar afwachten of er er ooit weer een baan komt voor je. En ach, het kan zoveel zijn: relatieproblemen, geldzorgen, ruzie in de familie, problemen met de toekomst van onze planeet… Genoeg dat je zorgen kan baren. Maar de vraag is, net als bij Israël: hoe reageer je? Naar anderen toe, maar óók naar God toe. Want we geloven toch dat Híj alle dingen leidt! Wat is je houding naar Hem toe? Ben je als een klein kind dat direct de oplossing wil, of durf je dingen over te geven?
Soms laat God toe dat het moeilijk wordt. Het Bijbelgedeelte spreekt over ‘op de proef stellen’. Dat doet Hij blijkbaar! Alsof hij zegt: ik wil wel eens zien of ze op Mij vertrouwen. Ook dingen die ons overkomen kunnen die bedoeling hebben! Dit te denken past misschien slecht in hoe wij de HEER zien. Waarom laat Hij het zover komen? Weet u, de HEER wilde Israël léren te vertrouwen, hij wil ze laten groeien. Zou dat nu ook niet kunnen gebeuren? Hij wil dat we volwassen worden in geloof: niet alleen vertrouwen als het goed gaat, maar óók als de moeite komt! Als ik mijn kinderen altijd maar bescherm en verwen, groeien ze niet goed op. Zo is het ook in het leven met God!

[de reactie van de mensen, toen en nu]
Zo doet de Heer bij Israël: hij wacht tot de waterzakken leeg zijn voor hij water geeft. Hij laat eerst hun voedsel opraken voor het manna komt. Eerst raakt alles op! En hoe reageert het volk daarop? Met mopperen dus. En dat is niet goed. Natuurlijk mogen ze hun nood uiten, er ís nood. Het zou vreemd zijn als ze dat niet deden. Maar hoe doe je het? Had het volk niet beter kunnen vragen ‘Mozes, ons water raakt op, dit wordt een probleem. Bid voor ons tot de HEER dat hij helpt?’ – of iets dergelijks. Ze hadden natuurlijk ook zelf kunnen bidden, maar laten we wel beseffen dat hun relatie tot God nog in de kinderschoenen stond – eigenlijk kenden ze Hem nog maar nauwelijks persoonlijk. Bidden in plaats van brommen. Was dat geen betere weg geweest?
Dat geldt natuurlijk ook voor ons. We kunnen echte moeilijkheden hebben – niet alle moeilijkheden zijn trouwens echt, soms wordt er nog het meest geklaagd over dingen die er niet toe doen. Soms geeft God zoveel, en het enige wat je denkt is: had ik dat éne maar wat nog ontbreekt… Maar je kunt echte nood ervaren. En dan mag je dat uiten. Naar mensen, maar bovenal naar God. Je mag vragen om een oplossing, het probleem bij Hem neerleggen. Maar niet mopperend, niet met een geest van ontevredenheid en verongelijktheid. Het is God tegen wie je spreekt, dan past eerbied! En bovendien: zou je niet op Hem vertrouwen? Heeft Hij niet alle macht? Israël had het net gezien, en Hij is dezelfde als toen! Paulus geeft een goede raad, die Israël toen had kunnen gebruiken en wij misschien ook wel: ‘wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt, én dank Hem, in al uw gebeden’. Dat is nu een volwassen geloof: niet zorgen laten heersen, maar vertrouwend vragen én danken. Niet alleen horizontaal kijken, maar ook omhoog!

[Gods reactie, toen en nu]
Tot nu toe focusten we op het volk Israël en hun gemopper. Maar hoe reageert de HEER eigenlijk op dat geklaag en gemor? Verbazingwekkend vriendelijk! Drie maal wordt er geklaagd, en drie maal geeft Hij direct wat er nodig is: water, brood en zelfs vlees. De HEER weet wel hoe kort zijn volk nog maar op weg is, hoe kinderlijk ze zijn, en hij wordt niet boos. Nee, Hij helpt ze vaderlijk. Verderop, in het Bijbelboek Numeri, klinkt weer gemopper, en dan reageert Hij een stuk strenger. Toen waren ze verder, toen zouden ze beter moeten weten. Maar nu komt Hij ze helemaal tegemoet. Wat is dat wonderlijk goed en genadig! Zou u niet uit uw slof schieten als uw kinderen drie maal achter elkaar zeuren en klagen in plaats van iets te vragen. Ik wel hoor! Soms gebeurt dat “papa, ik heb zo’n do-horst”. “Tjo, eh, zou je dan niet iets vragen?” reageer ik. O ja! “Papa, mag ik iets drinken?” “Natuurlijk!” Maar als ze het niet leren en wéér zeuren en weer, dan word ik het wel zat. Gods geduld hier is echter groot! Hij geeft in overvloed. Méér zelfs dan de nood vereist. Na de dorst in Mara brengt Hij het volk in Elim, een soort paradijsje met bronnen en palmen. Ook dat geeft Hij, na de beproeving!
Is de Heer nu anders? Helpt Hij ook niet vaak veel meer dan we verdienen? Als het moeilijk is, komt het zo vaak weer goed. En soms krijg je zomaar goede dingen die je nergens aan verdient. Maar bovenal geeft Hij ook ons zijn genade. Dat is het allermeeste, het diepste wat we nodig hebben. Ook als niet alle nood in ons leven zo simpel wordt opgelost als toen voor Israël

[Jezus, Gods genade voor mopperende mensen]
Dan kan ik niet anders dan aan Jezus denken, onze Heer. U denkt misschien: hoezo, Hij komt toch niet voor in dit Bijbelgedeelte? Niet letterlijk, nee. Maar toch wijzen ook deze Schriftwoorden al op Hem. Wat geeft de Heer hier? Water uit de rots. En wat schrijft Paulus daarover: ‘de rots was Christus’ – 1 Korinthiërs 10:4. Wat de Heer hier geeft, wijst al vooruit naar zijn grootste gave: zijn eigen Zoon voor ons. En bij het manna, het hemelse brood, is het nog veel duidelijker. Jezus zelf zegt, in Johannes 6: ‘uw voorouders hebben het manna gegeten, maar Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald’. In Hem ontvangen we nog veel meer dan de mensen toen. Water dat je zonden wegwast. Bitterheid die wordt weggenomen door het hout van het kruis. Geen voedsel voor even, maar het eeuwige leven. Geen letterlijk water uit een rots, maar levend water: de Heilige Geest in je hart. Hoe groot is Gods genade, ook voor ons!
En voor wie? Voor wie maar goed genoeg geloven? Nou nee… Het is voor mopperende en morrende mensen, die vooral aan zichzelf denken. Voor mensen als u en jij en ik, die zo vaak vergeten om omhoog te kijken en alleen om ons heen de onmogelijkheden zien. Voor zúlke mensen is Jezus Christus gekomen. Zúlke mensen wil Hij voeden en verfrissen. We hoeven het slechts aan te nemen uit zijn genadige handen!
Wat is de HEER dan goed. Israël laat hier zien dat ze uit zichzelf niet beter zijn dan Egypte. Tegen het volk moet Mozes zeggen wat ook Egypte te horen kregen: ‘dan zullen jullie weten dat ik de HEER ben’ – ze wisten het niet! Het is alleen omdat de HEER hen had uitgekozen, dat ze dit alles ontvangen, niet omdat zij zo goed of gelovig waren. En zo is het nóg. De HEER roept ons, roept u en jou en mij, door zijn genade alleen. En dáár mogen we uit leven, ik-gerichte mopperaars die we uit onszelf zijn!

[slot]
Zo hoorden we deze geschiedenissen, over menselijk gemopper en Goddelijke genade. Laat het alles mogen meegaan in ons hart. Bent u of ben jij iemand die snel ontevreden is over hoe dingen gaan, over hoe de HEER het leven leidt? Wees geen mopperaar, dat maakt alles donker. Nee, breng je nood maar bij de HEER en vertrouw op Hem. Groei in geloof, blijf geen kind. Ja, de HEER hoort ieder kind, maar Hij wil ook dat u opgroeit tot een stabiel geloof dat staat ondanks omstandigheden. Hebt u daar al iets van? Durf los te laten, te vertrouwen dat Hij u niet zal laten vallen. Bid, en dank ook – want altijd zijn er wel zegeningen te tellen. De goede God geeft zoveel! Hij geeft zelfs een opvoeding, een beproeving om te groeien. Maar we mogen weten: in Christus geeft Hij álles – ook als het anders gaat.
Dan mogen we weten: het leven is soms een woestijnreis – net als bij Israël toen. Maar dit staat vast: ieder die op de HEER vertrouwt, wordt dóór de woestijn geleid. Die krijgt genoeg om erdoor te komen, en… die mag eenmaal aankomen in het beloofde land!

Lof zijn Christus in eeuwigheid,

Amen

Advertenties