Tags

,

1. Ik nam mij voor: ik let op wat ik zeg;
ik mijd het kwaad, ik weeg elk woord,
bijt op mijn tong en slik het meeste weg
zodat wie slecht is het niet hoort.
Er kwam geen enkel woord meer uit mijn mond,
maar zonder dat ik vrede vond.

2. Ik zuchtte, want er broeide iets in mij;
mijn leed werd tot een laaiend vuur.
Toen hield ik het niet langer uit en zei:
‘HEER, wanneer slaat mijn laatste uur?
Toon mij de dag waarop ik heen zal gaan;
laat mij mijn kwetsbaarheid verstaan.’

3. Een handvol tijd, dat is wat U mij geeft.
Een mensenleven is een zucht,
een schaduw die geen duur of vastheid heeft.
Ook geld en goed is enkel lucht.
Al heeft een mens ook schatten als hij sterft,
er is een ander die ze erft.

4. Wat is het dan, mijn Heer, dat ik verwacht?
Bij U alleen is hoop voor mij.
Zorg dat de dwaas niet spottend om mij lacht.
Maak mij van al mijn zonden vrij.
Ik ben verstomd, ik zwijg omdat ik weet:
U hebt de hand in al mijn leed.

5. HEER, houd U in, uw straf is mij te zwaar.
Ik sterf als U mij zo blijft slaan.
Als iemand zondigt, staat U woedend klaar;
U laat zijn schoonheid snel vergaan.
Wanneer hij wordt getroffen door uw tucht,
dan blijkt: elk mens is maar een zucht.

6. Hoor mijn gebed, HEER, luister naar mijn klacht;
kijk naar mijn tranen, mijn verdriet.
Ik leef bij U, net als mijn voorgeslacht,
als vreemde zonder grondgebied.
Ontzie mij, zodat ik wat vreugde ken
zolang ik nog in leven ben.

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden