Tags

,

1. Bestrijd wie mij bestrijden, HEER!
Bevrijd mij, grijp uw schild en speer.
Sta op, verjaag wie mij belagen.
Zeg tegen mij: ‘Ik zal je dragen.’
Laat hen die uit zijn op mijn dood
te kijk staan, maak hun schande groot.
HEER, stuur uw engel op hen af.
Laat hen verwaaien als het kaf.

2. Voor mij, die hun nooit iets misdeed
maken zij sluw een val gereed.
Verwar hen in hun eigen netten,
de strikken die ze voor mij zetten.
Dan vult mijn hart zich met muziek;
dan zing ik: ‘Heer, U bent uniek!
U komt naast zwakke mensen staan
en pakt de onderdrukkers aan.’

3. Zij zeggen dat ik schuldig ben.
Toch was ik altijd goed voor hen:
Ik leefde mee wanneer zij leden
en noemde hen in mijn gebeden.
Ik zat om hen in zak en as
alsof het om mijn moeder was.
Maar nu ik struikel, lachen zij
en komen dreigend dichterbij.

4. Hoelang, Heer, ziet U het nog aan?
Kijk hoe die leeuwen naast mij staan.
Verlos mij of ik ga verloren;
geef dat het volk mijn lied mag horen.
Laat toch niet lachen wie mij haat,
wie oorlog zoekt en zint op kwaad.
Bijtende spot klinkt in zijn stem
wanneer hij roept: ‘Kijk nou naar hem!’

5. U ziet toch ook dit alles, HEER?
Blijf dan niet ver en zwijg niet meer.
Sta op, mijn God, kom voor mij strijden.
Verdedig mij, sta mij terzijde!
U bent rechtvaardig, HEER, mijn God;
laat hen niet lachen om mijn lot.
Laat hen niet zeggen vol venijn:
‘We kregen hem ten slotte klein!’

6. Laat wie om mijn ellende lacht,
vernederd worden en veracht.
Geef blijdschap aan oprechte mensen
die recht en vrede voor mij wensen.
Dan zeggen zij: ‘De HEER is groot,
Hij hielp zijn dienaar uit de nood.’
Dan zal ik zingen voor altijd;
dan prijs ik uw gerechtigheid.

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden