Gemeente van Jezus Christus,
(dankbaarheid voor zegeningen)
Het gaat goed met koning David. Hij zit in zijn huis, zo begint het eerste vers van wat we lazen in 2 Samuel 7. In zijn huis, en dan niet zomaar een huis natuurlijk, maar een paleis. Een luxe paleis met cederhouten balken, van alle luxe van die tijd voorzien. Al Davids vijanden zijn verslagen, er is rust in het koninkrijk. Alles loopt lekker. En David, wat doet hij? Gaat hij eens lekker onderuit zitten, tevreden met zichzelf? Gaat hij bedenken hoe hij zijn macht kan uitbreiden? Nee, dat lezen we niet. David is dankbaar. Want hij weet, terwijl hij om zich heen kijkt in zijn mooie paleis: dit alles heeft de HEER me gegeven. David is er nog steeds een beetje verbaasd van. De Heer heeft hem, een eenvoudige herdersjongen, geroepen om koning te worden. Hij heeft geholpen in de strijd, Hij is het die hem en Israel zegent. David is dankbaar. Dat blijkt wel uit wat zijn volgende project moet worden: iets doen voor de Heer.
Mooi is het, deze houding. Misschien herken je er wel iets van, dat je leven goed loopt. Dat er heel veel is om blij mee te zijn. Als je om je heen kijkt, letterlijk en figuurlijk, dat je beseft: wat heb ik het goed! Het is mooi, om dat af en toe eens te doen. Misschien vanmorgen wel. Je zegeningen te tellen, te zien hoeveel je krijgt, hoe bevoorrecht je bent. En ik besef: wellicht zijn er vanmorgen hier ook wel mensen die vol zitten met zorgen, waar het leven heel moeilijk is. Dan werkt dat anders. Maar toch: ik denk dat heel veel mensen hier toch dankbaar om zich heen kunnen kijken.
(willen bouwen voor God)
Dankbaar, dan denk je aan God, wanneer je hem kent tenminste. En zo is het ook bij David. Hij ziet zijn eigen paleis, en hij ziet uit het raam de tent waarin de heilige Ark staat opgesteld. Dan denkt David: ik wil iets terugdoen voor God. Laat ik een tempel bouwen voor Hem! Dat is typisch iets wat oud-oosterse vorsten deden. Tot eer van hun God, en meteen ook tot eer van henzelf. Maar ik geloof dat voor David dat laatste toch niet de hoofdzaak is. Hij wil een tempel bouwen, uit dankbaarheid. Bouwen voor God. Mooi plan toch? De profeet Nathan moedigt het dan ook meteen aan.
David wil als het ware iets terugdoen, voor al het goede dat God geeft. Hij wil bouwen voor God. En dat is goed. Nee, die tempel gaat er nog niet komen, dat horen we zo. Maar nergens horen we dat de Heer Davids ijver afkeurt. Ik denk dat het natuurlijk is: voel je je gezegend, dan wil je iets terugdoen. Zoals jij, Helmich. Je wilt je graag inzetten voor God en zijn gemeente. Bouwen voor God, figuurlijk dan. Je had ook gewoon in je huis kunnen blijven zitten, zoals David zat. Maar je kwam zelf: wat kan ik doen? En dat is goed. Die impuls om je in te zetten, zoals ook David had.
Als heel veel van ons dankbaar kunnen zijn voor veel goed, hoe werkt het dan bij ons? Ga je lekker onderuit zitten in je huis? Of voel je ook die impuls: ik zou wat terug willen geven aan God? Ik hoop het! Want dankbaarheid zet in beweging. Ja, misschien ook het feit dat je ziet dat er werk te doen is voor Gods ‘huis’ tussen aanhalingstekens: zijn gemeente, ook hier. Maar laat vooral Gods goedheid, laat dankbaarheid je in beweging zetten!
(Gods plan is gróter)
En toch… Davids plan gaat niet door. Hij hoeft geen tempel te bouwen. Waarom? Is zijn idee verkeerd? Nee, dat niet, later komt er toch een tempel in Jeruzalem. Maar toch is Davids denken net te kort door de bocht: God zegent, ik zet me in, dat is het. Daar zit een gevaar in. Zo wordt God teruggebracht tot iemand die goede dingen geeft. Zo wordt hij straks opgesloten in de tempel, om het zo te zeggen. Maar God is groter. Hij is een God die in beweging is, mobiel. Een God die plannen heeft en uitvoert. Hij is de God die bezig is in de wereld, om zijn bedoelingen uit te voeren. En die bedoelingen zijn veel méér dan zelf in een mooie tempel wonen en mensen zegenen met een goed leven, een mooi huis en rust. Zijn plan is méér: zijn Koninkrijk stichten, de wereld rédden, het kwaad verslaan. Want dat is er óók.
David, en wij vaak ook, denkt te tijdloos over God: Hij zegent, wij zijn dankbaar en offeren – en dat door alle eeuwen. Maar God, en ik hoop dat u dit punt pakt vanmorgen, God heeft een plan dat door de tijd heen zich ontwikkelt, dat beweegt. Hij riep Abraham. Hij werd de God van Israël. Hij geeft Israël een goede koning: David. Maar dan stopt het niet. Gods plan is groter. Vanuit en via Israël heeft Hij heel de wereld op het oog. Hij wil niet opgesloten blijven in een tempel in Jeruzalem, héél de wereld moet de God van Israël leren kennen. En nee, daar heeft David geen idee van. Maar dát is wat de Heer wil. En daarom trekt Hij zijn eigen plan. Een plan waarin niet David, maar God de lead heeft. Maar waarin David wel voorkomt.
En zo is het nog. Wij mogen dankbaar zijn voor wat God je geeft. We mogen zoeken hoe we Hem kunnen dienen, iets terugdoen. Maar we moeten maar niet zélf bedenken wat en hoe we gaan bouwen voor Hem. Hij moet de leiding hebben. Het gaat om zijn plan, niet het onze! Ja, en dat is best lastig, als je zelf ideeën hebt voor de kerk, voor het werk, voor wat er te doen is. Maar het gaat om Góds plan, als het goed is.
(de zegen is groter, voor David en ons)
Dan ontvouwt God zijn eigen plan, via de profeet Nathan. David hoeft geen huis voor God te bouwen, God zal Davids ‘huis’ bouwen. De zoon van David zal voor God een huis bouwen, een tempel, maar bovenal zal God voor David een huis bouwen, een koningshuis. Een enorme belofte klinkt: voor eeuwig zal er een nakomeling van David regeren. Dat is wel het mooiste waar een oud-oosterse vorst van kon dromen. Dat zijn naam, zijn huis, lang zou voortbestaan, dat de troon niet zou wankelen. En hier zegt God zelfs: voor ééuwig…
Wat zien we hier meteen een belangrijk principe. Wie wil bouwen voor God, wordt zelf opgebouwd. Wie zich dankbaar geeft om voor God bezig te gaan, voor hem of haar gaat God zelf zegenend bezig! Je wordt er alleen maar rijker van. Ik denk dat dat ook de ervaring is van mensen hier. Je krijgt veel meer terug dan je zelf geeft, als je jezelf beschikbaar stelt om te bouwen voor God. Het is geen kwestie van ontvangen en teruggeven, alsof er twee gelijke partijen zijn. Nee, het is iets willen geven, menselijk, en veel meer, goddelijk veel terugontvangen. We zien het hier bij David: die geweldige belofte van een eeuwig koningshuis.
(eeuwig koningshuis - in Jezus waar)
Want God gaat verder met zíjn plan. Hoe kan een koningshuis eeuwig regeren? Dynastieën volgen elkaar immers op. De een regeert langer dan de ander, maar altijd komt er een einde aan. Deze belofte gaat de aardse perken te buiten. Het wijst al naar de grote zoon van David, Jezus. Met Hem, die zoon van God is en zoon van David, kan het waar worden. We hoorden het in de tweede Schriftlezing: “tot in eeuwigheid zal hij, Jezus, koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen”. Eeuwig een nakomeling van David op de troon, toch!
Opvallend hier trouwens, en iets dat wij wel eens vergeten: Jezus wordt allereerst koning genoemd over het huis van Jakob, over Israël. De zegen die Hij brengt, komt op uit Israël en is allereerst vóór Israël. Daar mogen we naar uitzien, dat Hij voluit regeren zal in Jeruzalem. Nooit vergeten! En tegelijkertijd breidt in Jezus de zegen zich uit. Naar alle volken, ook naar ons, naar ieder die in Hem gelooft. Gods grote plan gaat door. En David, hij mag er een plek in innemen. Wat openen zich hier vergezichten die veel, véél verder gaan dan zijn eigen mooie huis, en het bouwen van een huis voor God! God zélf bouwt, wereldomspannend!
(de zegen is groter voor ons)
Zo zegent de God van David, van Israel, ook ons. En dan bedoel ik niet dat je dankbaar in een mooi huis mag zitten. Nee, ik bedoel de veel grotere zegen door de grote zoon van David. Volgende week vieren we het Heilig Avondmaal, en daar worden we erop gewezen. Dat God niet alleen zegen geeft, maar dat Hij zichzelf geeft. Dat wij de zijne mogen zijn, door Jezus’ offer en door geloof, en dat Hij ook onze God wil zijn. Ook al horen wij niet bij Israël, Jezus wil ook ons leven regeren.
Gods koninkrijk komt, en is in Jezus al gekomen. En dáár worden we voor uitgenodigd. Om eenmaal aan het feestmaal te zitten in Gods koninkrijk, bij de Zoon van David. Om vergeving en vernieuwing en eeuwig leven te ontvangen. En dat mogen we nú al proeven, aan de tafel van het Heilig Avondmaal. Daar ontvangen we zoveel grotere dingen dan een mooi huis of een leven dat loopt. Eeuwige liefde en leven!
Als je al wilt danken voor de daagse zegeningen, als je de Heer erkent, dan krijg je nog zoveel méér. Daar wijst het Heilig Avondmaal ons heen. Dat we niet blijven staan bij een rustig bestaan in voorspoed. Ja, dat is een zegen van God, zeker! Maar Hij geeft nog zoveel meer, aan ieder die Hem erkent. Net zoals David nog veel meer kreeg dan hij ooit had gedacht, zo geldt het ook voor ieder die gelooft. Had David ooit gedacht aan een eeuwig koningshuis? Vast niet, maar hij kreeg het! Had u ooit gedroomd van een eeuwig leven bij God, in het Vaderhuis? Maar dát geeft God aan al de zijnen!
De zegen is groter, dieper, hoger. Dát mogen we bedenken, in het bijzonder komende zondag. Bij de Heer zelf aan tafel genodigd, dat is toch onvoorstelbaar! En dan is het pas een begin… Werkelijk, wat zíjn we gezegend als gemeente van Christus!
(altijd ontvanger blijven)
En ja, dan geldt voor ons hetzelfde als voor David. Uiteindelijk blijf je altijd ontvanger in het geloof. Je kunt de Heer nooit vergelden voor al zijn weldaden. David wil iets terugdoen, maar meteen krijgt hij nóg meer zegen. Een zo grote zegen, daar kan hij gewoon niets meer tegenoverstellen. Hij kan het slechts dankbaar ontvangen.
En zo is het altijd. We kunnen uiteindelijk slechts dankbaar ontvangen. Alles wat wij willen terugdoen, valt in het niet. Je kunt slechts ontvangen. Dat is een lastige les, en tegelijk mooi. God heeft ons niet nodig. Ook niet om zijn huis te bouwen. Ook niet om de kerk vandaag in stand te houden. Hij heeft zijn eigen plannen, groot en goed, en díe gaan daar. So wie so. We mogen ontvangen en volgen, want Hij is in the lead. Altijd.
Als ik eerlijk ben, ligt dat me niet zo goed. Je wilt zelf in the lead zijn. Je wilt ook wat betekenen, wat zijn. Maar vandaag, en volgende week bij het Heilig Avondmaal, krijgen we de ware verhoudingen voorgehouden. God geeft, wij ontvangen. God gaat door, wij mogen mee. Dat is nu genade. Zwaar voor een mens soms, juist omdat het zo licht is. Maar gelukkig is wie dankbaar kan ontvangen! Wie zijn armen opent.
(meedoen is volgen)
Wij zijn ontvangers. God doet het werk. Zo is het ten diepste. En tegelijk betekent dat niet dat leven met God neerkomt op met je armen over elkaar zitten. Nee, je mag in dienst genomen worden. Mééwerken. Niet om je eigen zegen te regelen, ook niet om iets te verdienen. Maar God geeft uit genade mensen een rol in zijn plan.
Zo David. Hij mocht geen huis voor God bouwen. Maar door gewoon zijn eigen huis, zijn eigen familie te bouwen, mocht hij toch medewerker zijn in Gods plannen. En ook op andere manieren. David mocht Israël leiden namens God, dát was zijn taak. Zo werkte hij mee in Gods bedoeling. Niet met zijn zelfbedachte bouwplan, maar gewoon door te doen er te doen was.
En zo is het nog. Wie dankbaar beseft wat God geeft, die mag in dienst genomen worden. Doen wat je hand vindt om te doen. In de kerk, in je gezin, op het werk, waar dan ook. Die mag volgen, terwijl God leidt. Die mag meewerken in Gods grote plan. We zien het vandaag, als iemand ambtsdrager wordt in onze gemeente. Niet van: wij gaan een huis voor God bouwen, maar eenvoudig omdat God het zo leidt. Omdat Hij je ergens plaatst, en je die plek inneemt.
(slot)
En dan is het nog waar, ik zei het al, wat David mocht ervaren: wie wil meebouwen, wordt zelf gebouwd. Ongeacht het succes of de tegenslag in het bouwen. Beschikbaar zijn is genoeg. Gód geeft, ook daarin. En zijn gaven zijn altijd groter.
Laten wij leren beschikbaar te zijn, maar ook om aan God de leiding te laten. Laten we dankbaar ontvangen wat Hij geeft. Zijn plan gaat door, zijn genade blijft stromen. Boven bidden en boven denken. Hem zij de eer in eeuwigheid!
Amen