Tags
Uit de Bijbel is gelezen: 2 Samuël 9
Gemeente van Jezus Christus,
(intro)
“voortaan bent u aan mijn tafel te gast”. Dat zegt koning David in het Bijbelgedeelte dat we lazen. “Aan tafel te gast” – dat is juist wat wij vanmorgen ook mogen meemaken, nu we het Heilig Avondmaal vieren. We worden uitgenodigd, niet door koning David, maar door koning Jezus.
“Voortaan bent u aan mijn tafel te gast”. Het Bijbelgedeelte waar dat staat, gaan we vanmorgen kort overdenken. Voordat we aan tafel gaan!

(achtergrond)
We hoorden hoe koning David vraagt: “is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik dan goed behandelen”. Vreemd! Dat een oosterse koning, als hij eenmaal stevig op de troon zat, op zoek ging naar nakomelingen van zijn voorganger, gebeurde vaker. Maar dat goed behandelen niet. Nakomelingen van de oude koning konden een brandpunt zijn waaromheen onvrede zich verzamelde. Ze konden de macht van de nieuwe koning bedreigen. Om die reden roeiden oud-oosterse koningen vaak heel de familie van de vorige machthebber uit. Ook koningen van Israël: koning Jehu vermoordde bijvoorbeeld al de zonen van zijn voorganger Achab.
Wil David ook zo zijn macht veilig stellen? Speuren wie er nog over zijn uit Sauls geslacht? Ja, speuren wel, maar doden niet. Hij zegt “is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik dan goed behandelen”. En ja, er blijkt nog iemand te zijn. Een zekere Mefiboset. Kom, zegt David, laat die man direct halen! Hij moet bij mij komen wonen in Jeruzalem.
Er zijn wel uitleggers die zeggen dat hier toch eigenbelang van David achter zit. Misschien wilde David door zijn goedheid voor Mefiboset de laatste aanhangers van Saul wel gunstig stemmen. Of misschien kan hij hem zo beter in de gaten houden. Toch denk ik niet dat we zo moeten denken. Je kunt achter vrijwel álles wat iemand doet, eigenbelang zoeken – ook bij hedendaagse politici. Maar zo denken maakt cynisch, en bouwt niet op. Als christen zijn we geroepen om van het goede uit te gaan tot het tegendeel blijkt! Doet u dat?
(Davids voornemen tot ‘chesed’)
Nee, David is hier geen berekenende politicus. Dat blijkt wel uit een grondwoord dat gebruikt wordt. “Goed behandelen” zegt onze vertaling, maar dat is wel heel slap. Oudere vertalingen zeggen “goedertierenheid bewijzen”. Een heel sterk woord in het Hebreeuws. ‘chesed’. Liefde, trouw, loyaliteit, goedheid – het zit er allemaal in. Dát wil David tonen aan Mefiboset. En dan staat die uitdrukking er ook nog driemaal, in vers 1, 3 en 7. Dit is de kern: David wil liefde en trouw en goedheid betonen. En dat gaat diep. In vers 3 staat letterlijk “ik wil hem de chesed van God bewijzen”. David laat hier iets van Gód zien. Van Gods goedheid en trouw, zoals wij die ook mogen proeven en vieren aan de Avondmaalstafel. David lijkt hier op Jezus.
(de situatie van Mefiboset – en van ons)
En wij? Wij lijken dan op die Mefiboset, die uitgenodigd wordt door de koning. Mefiboset, dat zijn wij! Laat ik dat wat uitwerken. Mefiboset was een koningskind, maar hij is gevallen. Letterlijk gevallen. Toen Saul en Jonathan sneuvelden en Israël verloren leek, vluchtte de verzorgster van Mefiboset terwijl ze het kind meenam. Maar… tijdens haar vlucht viel hij en raakte daardoor verlamd. Hij kon weinig meer, zeker in die tijd zonder rolstoelen en hulpmiddelen.
Wij, mensen, zijn van afkomst ook koningskinderen. Schepselen van God. Maar helaas zijn ook wij gevallen, figuurlijk gevallen. De zondeval zoals dat heet. De mens maakte zich los van God – en dat doen we nog steeds. In zonde gevallen. En het gevolg? We zijn verlamd. We zijn niet meer in staat om te wandelen op Gods weg: te leven voor Hem en in liefde met anderen. We kunnen het doel van ons leven niet meer bereiken. Het leven heeft veel glans verloren.
Een wonderlijk detail: Mefiboset woonde, zo hoorden we, in de plaats Lo-debar, dat betekent ongeveer ‘in Nergenshuizen’. Onbekend, een doodlopend eind. Hoe komt een koningskind daar terecht? Hetzelfde kun je je afvragen als je de mensen op aarde ziet. In wat voor slop zijn we terechtgekomen? Een wereld vol strijd en nijd en pijn. Daar zitten we dan, in Lo-debar, in Nergenshuizen. Veel toekomst lijkt er niet te zijn….
(Davids omgang met M.)
Zo hebben we de hoofdpersonen helder: David en Mefiboset. Een koning en een kreupele. En dan komt het mooie! David laat Mefiboset zoeken en halen. Er komt een bode bij Mefiboset: ‘Je moet bij de koning komen!’. Wat zal de man hier wel van gedacht hebben? Ik kan me voorstellen dat hij bang werd! Hij is immers uit het geslacht van Saul! Wat heeft David met hem voor?
Maar Mefiboset gaat mee. Hij heeft ook geen keus. Bij David gekomen knielt hij meteen en buigt diep. Hij wacht af wat hem boven het hoofd hangt. En dan het mooie: de koning noem zijn naam. ‘Mefiboset!’ Bij je naam geroepen worden, dat betekent gezien en gekend worden. Dát is ook wat God bij mensen doet: ze bij hun naam noemen! Dat begint al als je gedoopt wordt. En David gaat verder. Hij zegt ‘wees niet bang’. De woorden die de Heer spreekt tegen iedereen die Hij roept. Wees niet bang! Al ben ik de grote koning, en jij een vijandige familie, wees niet bang. God wil góedheid bewijzen – David wil dat doen.
Ineens verandert het lot van Mefiboset. Hij krijgt het grondbezit van Saul toegekend, wat hem rijk maakt. En meer nog: hij mag voortaan in Jeruzalem wonen. Sterker nog, hij is welkom aan de koninklijke tafel! Ik kan me zo voorstellen dat het Mefiboset duizelt. Geen dood, maar leven. Geen dreiging, maar zégen. Wat is dit een beeld van het Evangelie. Want juist zo doet God bij de mensen die Hij roept. Die krijgen leven en zegen. Die zijn welkom bij Hem en mogen eten van zijn tafel! Kijk hier maar vandaag!
(om Jonathans wil – om Jezus' wil)
Wat een omkeer in het leven van Mefiboset. Voor hem die geen toekomst had, gaat een toekomst open! En waarom gebeurt dit allemaal? Ook dat is diep. Het is, zo zegt David tot tweemaal toe, ‘omwille van Jonathan’. Jonathan was Davids trouwe vriend geweest, al kwam hij uit de familie van Saul, en omwille van hem wil David goed zijn voor Sauls nakomelingen. Het is allemaal omwille van Jonathan wil! Niet om wie Mefiboset zelf is, maar vanwege Jonathan.
Net zo is het bij God. Waarom kan en wil Hij goeddoen aan mensen, gevallen mensen, vijandig vaak? Omwille van Jezus! Omdat Hij trouw was. Omdat Hij zijn leven gaf. Omdat de Vader Hem wil eren.
Wanneer wij bidden, zeggen we vaak aan het einde ‘om Jezus’ wil’. En dát is het. Wij verdienen niets bij God. Maar Jezus heeft alles verdiend. En dáárom zijn mensen welkom bij God, mogen ze te gast zijn aan zijn tafel en mogen ze wonen in het nieuwe Jeruzalem. Om Jezus’ wil.
Het is alsof God vraagt: ‘is er nog iemand uit het huis van Adam, die ik goedheid kan bewijzen omwille van Jezus?’ Dan mogen wij vanmorgen zeggen: ja, Heer, hier ben ik. Doe het aan mij! Niet om wie ik ben, maar om Jezus’ wil!
(de goedheid die M. bewezen wordt – en ons)
Zo gaat voor Mefiboset de toekomst gaat open. En net zo gaat voor ieder die bij Jezus hoort, de toekomst eeuwig open. Mefiboset wordt uitgenodigd door David. “Voortaan bent u aan mijn tafel te gast”. En net zo nodigt koning Jezus vandaag u en jou uit. “Wees aan mijn tafel te gast!” En niet alleen die paar keer per jaar dat wij Avondmaal vieren. Mefiboset mocht dagelijks naar Davids paleis komen. Net zo mag je door Jezus dagelijks met God leven, in gebed en verbondenheid. Leven van wat is gegeven om Jezus’ wil, elke dag!
Mefiboset kan het haast niet bevatten, dat hij, kreupel kind van Saul, zóveel goedheid ontvangt. Hij zegt, met oosterse overdrijving: “wie ben ik, Heer, dat u zich bekommert om een dode hond als ik ben?” Bedenk wel: honden waren destijds geen huisdieren zoals nu. Ze waren onrein – denk aan straathonden die de afvalbergen afschuimden. Daarmee vergelijkt Mefiboset zichzelf. Sterker nog: een dóde hond! Wat kan er verachtelijker zijn dan dat?
U of jij zult jezelf niet snel een dode hond noemen, denk ik – ik ook niet! Maar toch, ik wenste wel dat we iets invoelen van Mefibosets enorme verbazing: ík? Krijg ík zoveel van U, Heer? Wie ben ik helemaal? Daar gaan we het vanavond verder over hebben – kom dan maar luisteren!
(slot)
Wat is deze geschiedenis van Mefiboset dan een prachtig beeld van het Evangelie. Zóveel krijgen van de koning, uit goedheid, uit genade. Om Jonathans wil, om Jezus’ wil. Ja, ook u, ook jij, al ben je nog zo kreupel, al woon je in Nergenshuizen, al zie je geen toekomst. De koning zegt: “voortaan bent u aan mijn tafel te gast”. Welkom bij God. Welkom aan zijn tafel vandaag. Welkom aan zijn hart, altijd! Om Jezus’ wil, amen.
Amen