Tags

, ,

Gemeente van Jezus Christus,

[intro: Eric Liddell]
het was op de Olympische spelen van 1924, bij het onderdeel hardlopen. Eén van de laatste races moest nog gelopen worden: de vierhonderd meter sprint. Het startschot klonk, en de atleten renden als één man op de eerste bocht af. Eén van hen werd in de bocht zelfs uit de baan geduwd. Het leek of hij eruit lag, struikelde. Maar in een flits kwam hij weer overeind en hij liet het er niet bij zitten. Het leek zelfs wel alsof hij door die bijna-val extra energie had gekregen. Hij schoot vooruit en net voor de finish haalde hij de anderen weer in. Met een klein verschil won hij zelfs de wedstrijd. In de film ‘Chariots of Fire’, bekroond met vier Oscars, is het prachtig in beeld gebracht.
Wat zou ik gedaan hebben, of u of jij, als je zo’n tegenvaller krijgt? Ik denk dat ik bij het struikelen mijn verlies al haast had geaccepteerd. Je zou natuurlijk kwaad zijn, maar wat is er aan te doen? Ik zou gebukt gaan onder de tegenvaller, maar waarschijnlijk niet zó fanatiek zijn gaan rennen. Ik zou de gerichtheid op de winst verliezen, vrees ik. De atleet over wie het gaat, Eric Liddell, deed juist het tegenovergestelde. Wat er ook gebeurde, hij bleef gericht op zijn doel: winnen, de eindstreep zo snel mogelijk over gaan.
Het lijkt wel of deze atleet, een overtuigd christen trouwens, het Bijbelgedeelte had gelezen dat wij zojuist lazen. “ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af” “niet dat ik mijn doel al heb bereikt, maar ik houd vol”. We krijgen vanavond beelden uit de atletiek aangereikt, om onze weg met God te gaan!

[van ‘wie ben je’ naar ‘wat is je doel’]
Vanmorgen vroeg ik ‘wie ben je?’ Een heel fundamentele vraag. Bij het Heilig Avondmaal werden we erop gewezen wie we mogen zijn in Christus: geliefde kinderen van God. Dáár ligt de identiteit van wie gelooft: ik ben van Hem! Wie ben je? Dat is de eerste vraag waar Paulus ons antwoord op geeft in hoofdstuk 3 uit de Filippenzenbrief: je identiteit ligt in Christus.
Alleen, wat volgt er dan? Zo’n antwoord zou als effect kunnen hebben dat je er maar een beetje bij gaat zitten. Ik hoor bij de Heer, mijn zonden zijn vergeven, ik ben welkom aan zijn tafel. Nu mógen we daar ook gaan zitten, rusten in zijn genade, maar is dat het hele verhaal? Heel letterlijk genomen: je kunt niet altijd aan de tafel blijven zitten. En iets minder letterlijk: bén je er, als je weet dat God je in genade aanvaardt? Is dan het eindpunt bereikt, kun je gaan zitten, of is dat juist een begin om in beweging te komen?
Paulus weet het wel! Hij geeft namelijk meteen een andere vraag mee. Niet ‘wie ben je?’, maar ‘wat is je doel?’ Waar gá je voor? Want al weet je wie je mag zijn voor God, dat wil nog niet zeggen dat je er bent! Ik ben, God zij dank, een kind van God – en dan? Wat is je doel? Paulus is er helder over ‘ik wil Christus kennen, en de kracht van zijn opstanding, en zijn lijden. Ik wil de opstanding bereiken’. En hij zegt erbij: ‘niet dat ik al zover ben, niet dat ik mijn doel al heb bereikt’. Nee, leven met Christus is een wég, een levenslange loopbaan. En Paulus moedigt ons vanavond aan, als een coach: kom op, gá ervoor. Je hebt weer geestelijke kracht gekregen aan Gods tafel, dan nu weer recht op het doel af: de hemelse prijs waartoe God u in Christus roept!

[gá ervoor! waarvoor?]
Nee, we zijn er nog niet! Het is een heel Bijbels beeld, dat van de renbaan, de hardloopwedstrijd. Wie gelooft is op de baan gezet, op het doel gericht, maar die ís er nog niet. Dat verklaart trouwens meteen de woorden van Paulus in vers 11, waar hij spreekt over ‘de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan’. Dat kan klinken alsof Paulus er helemaal niet zeker van is of hij deel heeft aan het eeuwige leven. ‘Misschien uit de dood op te staan’ zegt hij, dat klinkt alsof hij het nog niet zo zeker weet. Dat is echter niet de bedoeling. In de voorgaande hoofdstukken blijkt wel dat Paulus niet twijfelt aan de trouw van zijn Heer. Andere vertalingen zeggen ‘de hoop om hoe dan ook te komen tot de opstanding uit de doden’. Wat Paulus bedoelt is dit: ik ben op weg, ik weet waarheen, maar ik bén er nog niet. Dus ik moet ook niet doen alsof de overwinning al in de pocket is. Je moet niet achteroverleunen, maar ervoor gáán!
Dat is de oproep die we vanavond allemaal wel mogen horen. Ervoor gáán, als een atleet die de eerste wil zijn.
Maar… waarvoor gaan dan? Paulus zegt het ons voor: ‘ik wil Christus kennen’ – niet dat hij Hem niet kent, maar hij wil Hem nog méér kennen. Dichter bij Hem leven, meer op hem lijken. Is dat ook wat u wilt, of jij? Of ben je wel tevreden: ik ben christen toch, ik ben gered? Nee, gá ervoor dat je Christus ként, meer en meer! Bij leven hoort groei.
Paulus werkt zijn verlangen nog wat uit. Hij schrijft, in vers 10: ik wil de kracht van zijn opstanding ervaren, en ik wil delen in zijn lijden. Kortom: hij wil het nieuwe leven kennen dat Christus geeft, in alle facetten. Daar wil ik nog wat op inzoomen.

[kracht v zijn opstanding]
Allereerst de kracht van Jezus’ opstanding ervaren. Dat klinkt krachtig, dynamisch – in het Grieks staat er dan ook het woord ‘dunamis’. Zou je daar niet meer van willen kennen in je leven? Alleen, wat houdt dat precies is, de kracht van Jezus’ opstanding ervaren? Heel in het kort: dat je merkt dat het nieuwe leven van Jezus ook in jou werkt en je vernieuwt. Dat kan op allerlei manier tot uiting komen. Kracht: dat je met meer geloof durft te bidden. Dat je ervaart dat God helpt, dat je anderen bemoedigt. Maar het is ook dat je in moeilijke situaties tóch op God blijft vertrouwen, net als Jezus deed, ook al komt er niet meteen een oplossing.
De kracht van zijn opstanding, dat is ten diepste dat Hij met zijn Geest in je woont en je meer en meer maakt als Hem. {vrucht v.d. Geest noemen} Dan gaat het niet allereerst om spectaculaire dingen, maar om gaan in het spoor van Jezus. Paulus vertelde daarover in het vorige hoofdstuk, we hebben het met Hemelvaart gehoord: niet gefocust zijn op jezelf en je eigen zekerheid en belang, zoals Jezus dat ook niet was, maar juist gericht zijn op God en op de ander. Je kwetsbaar durven opstellen. Juist omdat je weet: Gods opstandingskracht is het sterkst, ik hóef mezelf niet te beschermen en niet te bewijzen. Dit is de weg met toekomst! Wonderlijk, hoe de kracht van de opstanding je niet een of andere krachtpatser maakt, maar juist iemand met oog voor de ander. In het vervolg schrijft Paulus: laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen – je kunt oko vertalen ‘bescheiden mensen’. Dat kan, dat gebeurt, als Jezus’ opstandingskracht in je werkt. Als het nieuwe leven in je werkt, als je al een mens wordt van de wereld die komt.
Vraag uzelf eens af: in welke gebieden van je leven zou je willen dat Jezus’ leven in jou zichtbaar wordt? En wat zou dat kunnen bevorderen? Gá ervoor! Jezus’ opstandingskracht kan zelfs hardnekkige karakterzwaktes ombuigen. Gelooft u dat, en jij? Je mag worden wie je in Christus bent! Denk niet ‘ik ben nu eenmaal die ik ben’, nee, denk ‘wie ik ben is door Christus bepaald’, vertrouw op de kracht van zijn opstanding, van zijn nieuwe leven dat ook in u wil groeien! Zou je er niet naar verlangen?

[delen in zijn lijden]
Paulus wil niet allen de kracht van de opstanding kennen, nee, hij zegt ook ‘ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood’. Wat is dat nu? Kracht ervaren, dat klinkt goed. Maar delen in lijden? Toch hoort ook dat bij een leven dat meer en meer aan Jezus verbonden is. Want als je bij Jezus hoort, als je leert denken en leven als hij, dan botst dat voortdurend met deze oude wereld, die los van God is en die nog op de oude manier leeft en denkt.
Die botsing was al duidelijk te zien bij Jezus. Hij kwam om de vrijheid te brengen, maar hij werd afgewezen! Hij kwam om relaties te herstellen, maar hij werd niet aanvaard, zelfs gedood. Wie op Jezus gaat lijken, zal dar ook iets van ervaren, op welke manier dan ook. Paulus zat gevangen. De christenen in Filippi werden door hun stadgenoten geminacht vanwege hun on-Romeinse geloof. Moeite ervaren hóórt bij het leven met Christus. Die atleet Eric Liddell waar ik mee begon, liep een olympische medaille mis, omdat hij niet op zondag wilde sporten. Het hele Nieuwe Testament spreekt er telkens over: geloof geeft moeite. Als we als christenen altijd maar rustig kunnen leven, kunnen we ons wel afvragen: leef ik misschien precies hetzelfde als iedereen? Gá ik wel echt voor de prijs waartoe God mij roept, of heb ik eigenlijk al opgegeven?
En trouwens, zelfs al zou je nooit last hebben van wat mensen zeggen of denken, dan is er toch nog een andere strijd. Zolang de opstandingskracht van Jezus ons niet helemáál heeft vernieuwd, is er ook nog een stuk in ons dat niet meewil. Dat gewoon nog denkt als de wereld zonder Jezus: gaan voor jezelf, je eigen belang en positie. Bijvoorbeeld: iemand doet een beroep op je en je hebt echt géén zin, maar je weet het: als christen ligt hier je taak. Of u moet wéér sorry zeggen, omdat u weet dat u fout zat…. Of… nou ja vult u maar in. Juist als je door de opstandingskracht van Jezus vernieuwd wordt, ga je merken dat er nog een ‘oude mens’ in je zit zoals dat heet! Herkent u er iets van? Ik hoop het! Welkom in de strijd, zeiden ze vroeger als iemand belijdenis deed.

[hoe? vooruit kijken]
Groeien in het kennen van Christus, het is kracht ervaren, maar ook strijd. Want dat samen is de weg naar de opstanding, naar de hemelse prijs. De dag dat God alles nieuw maakt, en dat jij daar dan bij mag horen! Maar dat kan alleen als we nu al vernieuwd worden naar het beeld van Jezus. Dat kan alleen als we ons richten op wat er voor ons ligt, als we recht op dat doel afgaan. Als we opstaan van de Avondmaalstafel en zeggen: U wil ik kennen, meer en meer. Christus’ kracht moet mij vernieuwen, en als leven voor Hem lijden meebrengt, dan zij dat zo – want Hem wil ik kennen, met Hem wil ik leven, nu en straks altijd.
En daarom: gá ervoor. Wees in het geloof als een atleet die zich concentreert op de wedstrijd, die wil winnen. De vraag is dan natuurlijk wel: hoe doe je dat concreet? Wel, een eerste ding is: laat je niet afleiden. Paulus zegt: vergeet wat achter ligt, richt je op wat voor je ligt. Er zijn zóveel dingen die onze aandacht van het doel af willen leiden. Drukte, media, zorgen, mensen… Natuurlijk verdienen dingen aandacht, maar vraag je eens af: hoe blijf ik gefocust? Misschien minderen in de dingen die afleiden. Paulus zegt elders: een atleet ontzegt zich alles om maar te winnen. Mijd wat afleidt! En anderzijds: laat elke week weer je neus de goede kant opzetten, laat je elke keer weer focussen op de prijs die wacht – gewoon hier in de kerk. Lees je Bijbel, bid, dat zijn toch echt de basisdingen waar het mee begint. Houd je blik gericht op Jezus, want om Hem gaat het!

[slot: gegrepen door Hem]
Met Hem wil ik afsluiten. Want laat nu niet het idee ontstaan dat geloven alleen hard werken is, taaie training en eigen prestatie. Dat zou een vreugdeloze zaak zijn! Dan zou je het niet volhouden, hoe groot en mooi ook de prijs die beloofd wordt. Maar, gelukkig, het begint en eindigt allemaal níet bij ons. De eerste vraag is niet ‘waar ga je voor?’ De eerste vraag is ‘Wie mag ik zijn?’. En dan ligt het antwoord niet in ons, maar in Jezus Christus. Hij maakt mij tot wat ik ben: een geliefd kind van God, door het geloof Dáár begint het. Daarom zegt Paulus zo treffend: ‘ik hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft’. Wij hoeven niet allereerst te grijpen, nee, we zijn gegrepen. Gegrepen door God. We mogen van Hem zijn, zitten aan zijn tafel. Zijn hand ligt op onze schouder. En juist dáárom leunen we niet achterover, maar gaan we ervoor. Gaan we voor Hem. Ook al struikelen we, ook al vliegen we de baan uit, we spannen al onze krachten in om daar te komen waar we willen zijn: dicht bij Hem, nu en altijd!
Ik sluit af met een favoriet Bijbeltekst van Eric Liddell, de atleet die tóch won, Jesaja 40:31 “wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht: hij loopt, maar wordt niet moe, hij rent, maar raakt niet uitgeput”.

Amen

Advertenties