Tags
Gemeente van Jezus Christus,
[Davids ellende brengt hem weer bij God]
Wat een tafereel! Daar zien we David en zijn mannen Jeruzalem uitlopen. De poort uit, omlaag naar de beek Kidron, en dan de helling van de olijfberg weer naar boven. David heeft zijn hoofd bedekt, hij loopt op blote voeten, en hij huilt. Ook de mensen bij hem jammeren, terwijl ze droevig omlaag kijken en hun mantel over hun hoofd trekken. Ze gedragen zich als een rouwstoet. En niet zonder reden: gisteren was David nog koning, vandaag is hij vluchteling. Zijn eigen zoon Absalom is in opstand gekomen. Alles is ingestort. Is er nog toekomst? Wie steunt David nog, behalve dit groepje getrouwen?

Heel uitgebreid beschrijft de Bijbel deze uittocht van David. Tot in alle droevige details. Uitgerekt en uitgesponnen. Het is heel anders dan toen bijvoorbeeld koningin Wilhelmina in de Tweede Wereldoorlog moest vluchten omdat de Duitsers naderden. In een grote auto werd zij met haar gezin snel naast Scheveningen gereden; een boot voer weg, en dat was het. Maar David gaat te voet, stapvoets. Geen koning in een koets of op een paard, geen hoogheid meer. Een rouwstoet, dat is het. Wat een ellende! En naast deze stoet loopt nog Simi, familielid van Saul. Vloekend, stenen gooiend, stof opwerpend. David zegt: laat hem begaan! alsof het past op deze dag.
Hoeveel ellende kan een mens verdragen? En waar brengt het hem? Het brengt David ver van zijn troon, dat in elk geval. Een onzekere toekomst in. En toch… er is nog meer te zeggen. Want het brengt David ook terug. Hij is op weg terug naar de woestijn, waar hij zo lang leefde voor hij koning werd. Maar ook: hij is op weg terug naar God. David heeft het tijdens zijn aftocht over Hem. Op een diepe manier. Dáár wil ik vanavond samen met u eens op letten. Want het heeft ons veel te zeggen. Juist wanneer alles instort en onzeker is, zoekt David het bij God. In overgave.
[Je overgeven aan God]
Overgave, dat is het kernwoord vanavond. Je overgeven. Nee, David geeft zich niet over aan de opstandige Absalom, zeker niet. Strategisch trekt David zich terug, praktisch zoekt hij wat hij nu doen moet. Maar David geeft zich wel over aan God. En dat is een heel andere overgave.
We zien het is vers 24 en verder. Terwijl David de stad uittrekt, staan daar de priesters Sadok en Abjatar, met de ark van God. De heilige verbondskist, het teken van Gods aanwezigheid. Blijkbaar willen ze die meenemen, de stad uit, moet de ark met David meegaan. Dat is een mooie opsteker! Wat hulp van boven kan David wel gebruiken, toch?
Eerder had Israël het ook gedaan: de ark meenemen in de strijd, als heilige mascotte die hen kracht moest geven. Maar werkt het zo bij God? David wil niet hebben dat de ark meegaat. En terecht. De ark meenemen, het is God aan jouw kant trekken. Dan wordt God het magische middel, en staat jouw doel centraal. Jij weet waar het op moet uitlopen – in dit geval: weer koning worden – en God hoeft alleen maar te helpen. Maar ik zei al: David geeft zich over aan God. En dat betekent: Híj mag bepalen waar het op uitloopt. Ook als dat géén overwinning is voor David. Luister wat hij zegt: “Breng de ark van God terug naar de stad. Als de Heer me gunstig gezind is, zal hij zorgen dat ik terugkeer en de ark terug zie op zijn eigen plaats. Maar als de Heer mij afwijst, dan zal ik me daarbij neerleggen. Hij mag met me doen wat Hij het beste vindt.”
Dat zijn diepe woorden. “Hij mag doen met mij wat Hij het beste vindt”. Zelfs als dat afwijzing betekent. Dát is overgave. Jezelf helemaal in Gods hand leggen. Dit is het hoogste, én tegelijk het moeilijkste waar een mens toe kan komen. Zou u, zou jij het zeggen? Ik weet niet je er überhaupt iets mee kunt. Of je het mooi vindt klinken, of juist eng of onwerkelijk… Maar ik zal u zeggen: je zó overgeven aan God is ongeveer de kern van wat geloven is. Dat je met David zegt “Hij mag met me doen wat hij het beste vindt.” Wát het ook is. En… vaak wordt dat juist in de diepte geleerd. Als de dingen om je heen instorten, anders gaan. Als je huilend je weg gaat. Je aan God overgeven – als alles goed gaat is dat niet zo moeilijk, maar dan is het vaak ook niet méér dan een stukje theorie. Ik merkte het bij mezelf toen ik deze preek voorbereidde, hoe ik het mooi vond, maar tegelijk ver weg van mijn voorspoedige leventje. Want dit is iets dat juist geleerd wordt als alles omvalt.
Een voorbeeld: ik denk aan een haven waar twee boten liggen. Een glimmend nieuw jacht, en een verweerde oude vissersboot. De eerste ziet er misschien mooier uit. Maar de laatste is beproefd door weer en wind. Dát is een schip waar ik liever zwaar mee zou willen trotseren. Een beproefde boot. En zo is het vaak ook met geloof: juist waar het door stormen heen is gegaan, daar is het sterk. Geen blinkende buitenkant, maar krachtige kern. Een leven in overgave aan God.
[ontmoeting met Simi: verdieping]
David geeft zijn lot in Gods handen. Overgave, allereerst spreekt er afhankelijkheid uit. David heeft de dingen niet meer zelf in de hand, en probeert dat ook niet meer. Gód moet zijn weg leiden. Gelukkig ben je, als je daar achter bent gekomen, als je van de illusie verlost bent dat jíj alles kunt regelen. En gelukkiger nog ben je, als je het dan van God verwacht!
Maar… er zit nog iets anders bij. Je kunt je aan God overgeven met het idee ‘God is liefde, God is machtig, dus met Hem komt alles goed!’ Oppervlakkige overgave. Maar bij David is dat heel anders. En dat zien we bij die andere ontmoeting waar we van lazen. De ontmoeting met Simi. Laten we ook daar even naar kijken. Als David een eindje gevorderd is op zijn weg, komt die Simi hem tegemoet. Simi is uit de familie van Saul, de vorige koning. Daarom is hij David niet goedgezind. Simi roept ‘je hebt je de troon van Saul toegeëigend!’ Hij scheldt en tiert: ‘moordenaar! Stuk ongeluk!’ Dat David Saul feitelijk niet gedood heeft, doet er blijkbaar niet toe. Simi haat David, wrokkig omdat zijn eigen familie onderging, en hij laat zich helemaal gaan. Vloeken, stenen gooien zelfs en stof opwerpen. Weer klinkt het ‘daar ga je nu, verdiende loon. Moordenaar die je bent!’
David hoort het. En het raakt hem diep. ‘Moordenaar! Verdiende loon! Moordenaar!’ Hij voelt zich aangesproken… Nee, niet dat hij Saul of diens familie heeft vermoord. Maar wel iemand anders. Uria. De man van Batseba, we hoorden er in een eerdere preek over. David heeft de dood van Uria op zijn geweten. Hij ís een moordenaar! En als Simi nu roept ‘dit is je verdiende loon’ – dan zucht David. Ja, hij verdient deze afgang. Moordenaar. Hij verdient het niet om koning te zijn. Had de profeet Nathan het al niet gezegd, ná dat gebeuren met Batseba en Uria: je eigen familie zal een bron van ellende voor je worden. En nu wordt het waar: Absalom, zijn bloedeigen zoon, staat hem naar het leven. David zucht. Hij buigt zijn hoofd. Hij houdt een soldaat tegen die Simi de mond wil snoeren. ‘Laat hem vloeken, de HEER heeft het hem immers ingegeven’.
[besef niets te verdienen maar juist schuldig te zijn]
Wat zien we hier? David beseft zijn schuld tegenover God. Hij verdient vloek, geen zegen. De ellende is verdiend, waar hij nu inzit. Ook dát hoort bij overgave. Je eigen falen beseffen. Weten dat je niets verdient bij God.
En zo is het nog. Soms kan ellende je eigen schuld zijn. Door keuzes die je maakte, dingen die je deed… Maar dat willen we meestal niet weten. Het is genade van God als hij je daar eerlijk in maakt. En het is genade als je je dan tóch aan God overgeeft, wetend dat elke oplossing onverdiend is.
En uiteraard, heel veel wat gebeurt is níet je eigen persoonlijke schuld. Ellende overkomt je gewoon. Deze wereld is uit zijn verband. Maar ook dat heeft met schuld te maken. Eerste pagina’s van de Bijbel: ‘vervloekt is de aarde om uwentwil’. Zoals ze vroeger zeiden: ‘waren er geen zonden, dan waren er geen wonden’. Het leven is soms een treurprocessie, zoals bij David. En bij overgave aan God hoort: dat onder ogen zien. Dat je eraan wilt: één – ik ben afhankelijk van God, en twee – ik verdien niets bij God. Ik kan geen rechten laten gelden. Als je dat beseft, door de werking van de Heilige Geest, dan kun je je alleen maar overgeven, onvoorwaardelijk. Net als David doet.
[Hopen op Gods onverdiende genade]
Zo geeft David zich over. Maar niet fatalistisch. Zo van: God bestuurt het alles zijn ondoorgrondelijke wil, ik onderwerp me maar, wat het ook wordt. Nee, dat is geen geloof. Je kunt je alleen overgeven aan God, als je diep van binnen hoopt op zijn genade. Dat horen we bij David. Hij zegt, 16:12 “misschien merkt de Heer mijn ellende op”. En eerder “als de Heer mij gunstig gezind is, zal hij mij laten terugkeren”. Daar hoopt David op. Op Gods genade. Dat de Heer zijn hand zal uitsteken om te helpen, niet om te slaan. Dat er toekomst is, bij God, voor hem. Alleen als je die hoop hebt, kun je je overgeven. Anders word je hopeloos, of opstandig, of allebei. Overgeven kan alleen in hoop op Gods genade.
David had daar eerder al iets van leren kennen. Na dat gebeuren met Batseba kreeg hij straf aangekondigd, maar ook kreeg hij genade aangezegd. Hij hoefde niet te sterven, hij werd niet afgezet als koning. Omdat David berouw had en ook toen eerlijk was geworden voor God. Er bleef een toekomst voor hem open. Zou die ervaring hem niet geholpen hebben om zich nu in de handen van God over te geven?
En wij? En jij? Als je leven moeilijk is, als er van alles gebeurt. Als je misschien ook zelf wel dingen deed die niet wijs waren. Dan roep ik je op: geef je leven over aan God. Helemaal. Blijf niet hangen in wanhoop of boosheid of verbetenheid of strijd. Geef je over aan God! Want ik mag je vertellen: Hij is vol goedheid en genade. Je mag je overgeven in hoop. Wat er verder ook gebeuren zal, waarheen Hij je levensweg zal leiden, en wat jij ook deed of niet deed, Hij is góed. Genadig voor slechte mensen, voor vermoeide mensen. Goed en genadig. Als je je overgeeft aan Hem, opent zich een toekomst. Echt! Dat is het evangelie waar we van leven!
[David en Jezus]
En dat mag ik zeggen vanwege Jezus. Omdat Hij de zonde van de wereld droeg. Omdat Híj in een treurprocessie Jeruzalem uitging, terwijl velen jammerden over hem. Omdat Hij huilde op de Olijfberg, in de tuin van Getsemané. Omdat Hij zich helemaal overgaf aan de wil van God. Omdat Hij vervloekt werd voor wat Hij niet gedaan had, en die vloek wilde dragen. Ja, we zien in deze geschiedenis al iets oplichten van Jezus. En door Hem is het zeker dat God genadig is voor mensen. Voor zondaren. Voor mensen die zichzelf ellende op de hals halen. En die lijden onder de vloek waar deze wereld onder gebukt gaat. God ís genadig, ook voor ons, ook voor jou. En daar heeft Jezus voor gezorgd.
Het is opvallend hoeveel overeenkomsten er zijn tussen David en Jezus in dit gedeelte. Beiden moesten ze Jeruzalem verlaten. Van beide is het een aangrijpend gezicht. Maar van Jezus meer, want Hij ging zijn dood tegemoet! Beide gaven ze zich helemaal over aan Gods wil. David wilde de ark niet meenemen van de Olijfberg, Jezus wilde geen hemellegioenen te hulp roepen op de Olijfberg. Beide wilden ze geen geweld gebruikt zien. David niet tegen Simi, en Jezus niet tegen de mannen die hem komen vangen. ‘Steek je zwaard in de schede!’
En tegelijk is Jezus zo beslissend veel meer. David verdraagt de vervloeking van Simi, omdat hij die op een bepaalde manier verdiend heeft. Maar Jezus wilde de vervloeking van ons allen dragen, terwijl Hij die níet verdiende. Onschuldig leed Hij, voor schuldigen. Hij viel in ongenade, zodat er genade is voor u. Het is om Jezus’ wil, dat wij ons vertróuwend kunnen overgeven aan God. Vertrouwend dat er genade is. Dat Hij een toekomst zal openen in de ellende. Want dat heeft Jezus gedaan. De toekomst openen. Openen, voor ieder die zich overgeeft. Dát is de goede boodschap die u vanavond mag meenemen. Geloof het! En gééf je dan over aan God. Of je leven nu vol ellende is, of vrij vlotjes loopt. We hebben het allemaal nodig.
[slot]
Héb jij je al overgegeven aan God? Juist als ’t leven zwaar is? Want echt, dat is een góede weg. Juist als het leven moeilijk is. Het bewaart je voor verbetenheid, van ‘ík moet met alle middelen ervoor gaan dat het wordt zoals ik bedacht had’ – want God mag het leiden zoals Híj wil. Het bewaart je voor wanhoop – want Gód leidt, en voor Hem is geen situatie uitzichtloos. Het bewaart je voor woede, en maakt je geduldig en genadig. Kijk bij David. Had hij geen reden om kwaad te zijn, onrustig, onzeker? Maar hij is rustig, juist nu. Omdat hij van God weet. “Hij mag met mij doen wat Hem het beste lijkt”.
Nee, dat maakt hem niet gevoelloos. David huilt en rouwt, over wat er gebeurt, over wat hem overkomt. Verdriet mag er zijn, om wat erg is. Overgave maakt je geen stoïcijn. Maar in alle dingen, in het verdriet, de schuld, in de aftocht, in het maken van plannen, is God erbij. En dát maakt het verschil. Hij mag het weten. En jij mag het overgeven. Nogmaals, héb je je al zo overgeven aan God? Nee, dat is niet iets wat je uit jezelf doet. Het is iets dat de Heilige Geest in je hart legt. Dat wíl hij doen, ook vandaag nog!
En dan, dan gaat er een toekomst open. Voor David, want uiteindelijk keert hij terug als koning. Maar ook voor ieder net als David overgeeft aan God. Al is de toekomst onzeker, al zie je niet waar God je leiden zal. Hij belooft: Ik laat je niet los. Met mij mag je gaan, nu en altijd. De tijd door en de eeuwigheid in. Gelukkig ben je, als je zo je weg gaat. Door dalen en over heuvels, door licht en donker. In overgave aan deze goede God.
Amen