Tags

, ,

Gemeente van Jezus Christus,

[intro]
Bij het familielid van ons werd deze zomer een kindje geboren. Door complicaties bij de zwangerschap kwam het aanzienlijk te vroeg ter wereld. Als je dan foto’s ziet, dan raakt dat je. Zo’n heel klein kindje in de couveuse, verbonden aan allerlei slangetjes – zo kwetsbaar en zwak. En tegelijk: een compleet mensje met alles erop en eraan. De hand van zijn vader naast zijn mini-handje – enorm verschil in grootte. Maar toch dezelfde mensenhand: met vijf vingertjes, nageltjes, alles compleet. Een wonder! Ik denk dat elke ouder daar wel iets van voelt, die voor het eerst een eigen kindje vasthoudt. Dat je denkt: hoe kán het toch, wat bijzonder!
Het thema van de preek vanmorgen is ‘elk mensenleven is door God gekend’. Die focus heeft een concrete reden. In ons land en daarbuiten is de maatschappelijke discussie rond abortus druk bezig. Niet denken ‘wat een wonder’ – maar de vraag wat je doet als het wonder niet gewenst is…
Op dat vlak is er momenteel echt een soort strijd gaande. Jongeren in Nederland zijn minder positief over abortus dan de generatie erboven, en in de Verenigde Staten zijn de regels rond abortus in sommige staten sterk aangescherpt. In reactie daarop zijn er zijn enkele partijen in ons land die abortus liefst als ‘mensenrecht’ in de wet zouden verankeren. En nog het meest actueel: de afgelopen week werd er in de Tweede Kamer gedebatteerd over een proef met heel late abortussen. Volgens de Nederlandse wet mag abortus tot het moment dat een kind levensvatbaar is, en dan is gedachte: wat mag, dat moet ook mogelijk zijn.
Het thema voor de preek is dus ‘elk mensenleven is door God gekend’. We gaan simpelweg de psalm langs die we lazen, en die levert ons drie punten op ter overdenking:
1. Ontzag voor God die zo nabij is (vers 1-12)
2. Verwondering over de vorming van de mens (vers 13-18)
3. Afkeer voor wat van Gods weg afwijkt (vers 19-24)
Ik besef: dit onderwerp kan gevoelig zijn. Het kan mensen persoonlijk raken: als je ongewenst kinderloos bent, als je een miskraam hebt gehad, als iemand hier een zwangerschap heeft laten afbreken… Aan de andere kant kun je over dit onderwerp hele abstracte discussies krijgen. Bijvoorbeeld: ‘wanneer is iets nu precies een mens?’ Maar die kant wil ik niet op. Vanmorgen wil ik insteken bij de verwondering. Want zó spreekt psalm 139, die we net hoorden.

PUNT 1: Ontzag voor God die ons omringt (vs 1-12)

[God die je omringt en kent]
Als eerste punt dus: verwonderd ontzag voor God die zo nabij is. Want het gaat in deze psalm wel over het wonder van ongeboren leven, maar dat staat in een breder kader. En dat is maar goed ook, want het gaat over het leven van ons allemaal.
De grondtoon van deze prachtige psalm is die van verwonderd ontzag. De dichter gaat niets redeneren of bewijzen, hij bezingt iets dat hij diep is gaan beseffen. En wel dit: dat God om hem heen is, altijd en overal. Dat zijn Schepper hem kent, en meer nog, hem omringt. Het is als een bliksem ingeslagen. Natuurlijk geloofde hij in God, dat deed iedereen in die tijd. Maar dat het ineens is doorgedrongen: God! Niet ergens in een verre hemel. Niet een interessant idee. Maar God, Hij die het heilige wonder onder het bestaan is – Hij is hier! En overal trouwens, maar dus ook hier nu bij mij. Hij omringd me als lucht en licht. Adem eens een keer diep in [doe dat]… zo dichtbij is de Eeuwige. Dat is toch ontzagwekkend! Heb je dat wel eens beseft!? Nou, de dichter wel. In heel veel verschillende toonaarden herhaalt hij het telkens, in vers 1 tot en met 12 van de psalm. We leven niet in een lege wereld, maar in Gods wereld, waarin hij Zelf aanwezig is
Ik mag het je vertellen vanmorgen: ons leven is door God omringd. En niet als een soort vage kracht, nee, Iemand is bij je. Iemand die je kent, die jou doorgrondt, die je omsluit zelfs. Of je het nu wilt of niet. Misschien vind je het wel een eng idee. Maar de dichter roept het uit: “HEER! U kent mij, u merkt mij op, of ik nu zit of sta, lig of ga”. Verwondering en ontzag vervult hem!

[hoe dit besef je levenshouding bepaalt]
Het is zó belangrijk om dit te weten. Want het bepaalt je hele levenshouding. Ik-leef-onder-Gods-ogen. HIJ IS ER! En dit is meteen de levenshouding die in onze maatschappij langzamerhand compleet ontbreekt. Niet leven in verwondering en ontzag, niet jezelf en alles positioneren ten opzichte van die Ene. Dan breken basisdingen af.
Als je met de dichter meezingt, dan wordt je basishouding er als vanzelf één van ontzag, verwondering en eerbied. God, zoveel groter dan jij begrijpt. Dan weet je wel, dat niet jij de maat bent van alle dingen. Deze wereld, heel dit heelal, het is van Gód! Nee, niet goddelijk, maar ván God. Ieder mens is Hij even nabij als hij dat jou is. De schepping is vol van Hem – van sterren tot stenen. “Heer, U bent overal!” Daar hoef je niet eens christelijk voor te zijn. De eeuwen door hebben mensen en volken dit ervaren. En soms ervaar je het nog. Als je een babyhandje ziet, of de herfstbladeren.
Een houding van eerbiedige verwondering. Dat als eerste. Maar… wie of wat is die God, dat wonder onder alle bestaan? Moet je bang worden van zijn nabijheid? Leef je langs hem heen? Of kun je op Hem vertrouwen? Kijk, en dan is het maar gelukkig dat de Bijbel een stuk dikker is dan deze psalm. Dan mag je horen wie Hij is: machtig én goed. Bewogen met mensen, trouw aan ontrouwe mensenkinderen. Ja, Hij die alles omringt, Hij is zélf een mens geworden. De maker van alles, heeft zelf als minimensje in een bedje gelegen. Jezus, die één van ons werd. Onvoorstelbaar… Jezus Die opgroeide en ons kwaad droeg, en ons zijn leven geeft. En dan weet je het zeker: deze God is te vertrouwen.
Dan wil je ook doen wat Hij wil. Leven naar zijn aanwijzingen – en die geeft hij gelukkig. Je hoeft niet stuurloos te lopen, met alleen verwondering. Je krijgt een weg om te gaan, een richting voor je bestaan.
Wie weet van deze God die nabij is en jou kent, leeft in ontzag, in vertrouwen, in gehoorzaamheid. Maar waar Hij gemist wordt, daar gaan die dingen ontbreken. Dan wordt het leven leeg, dan is de eerbied weg. Voor God, maar ook voor wat hij maakte.

PUNT 2: Gevormd door God: een wonder (vers 13-18)

[elk leven een wonder]
We gaan naar ons tweede punt. Verwondering en ontzag. Dat voelt de dichter niet alleen voor God, maar ook voor wat Hij maakt. En in het bijzonder: elk mens. Gegroeid in de moederschoot, op wonderlijke wijze. Hoe complex is een mens, een baby al! Hoeveel kan er niet misgaan in de ontwikkeling! Hoe meer je ervan weet, hoe meer je verbaasd bent dat het meestal góed gaat. De toename van kennis hoeft echt niet te leiden tot minder ontzag en verwondering. Nee, die mag zelfs groeien! Hoe dat werkt met hormonen, met de placenta, met de hersenontwikkeling: één en al wonder.
De dichter, lang geleden, wist dat natuurlijk allemaal nog niet. Maar hij beseft wel het wonder. Poëtisch spreekt hij: ik ben geweven, kunstig geborduurd – al die draadjes door elkaar. En dat niet alleen: ik ben geweven door Ú, grote God! Kijk, en dat moet erbij. Het ontstaan en ontwikkelen van een kind is maar niet een biologisch proces. Ja, ook wel natuurlijk – maar erin en erachter is God, die alles omringt. Die elk kind kent, al vanaf het vormeloos begin. En dat besef, dát geeft het leven waarde. Niet hoe groot het al gegroeid is, niet hoe gezond en sterk het is, ook niet hoe gewenst het is door de mensen – nee. Gód heeft dit kind gewild, en Hij kent het. Hij heeft al een levensboek geschreven voor dit kind, het heeft een plek in Gods plan.
Even terzijde: dat van ‘alles is al opgeschreven’ kan vragen oproepen. Heeft God dan al opgeschreven dat een kind jong zal sterven, of gehandicapt zal zijn? Daar is meer over te zeggen dan ik nu kan doen. Maar dit is de hoofdzaak: elk mens is in Gods hand, is zijn mens, al van voor de geboorte. En daarom is eerbied op zijn plaats, en verwondering.

[van zo’n wonder blijf je af]
Het menselijk leven, het is een mysterie, een wonder van God. Dát wil de dichter uitzeggen. En wie die verwondering voelt, die beseft als vanzelf: van zo’n wonder moet je afblijven. Een mens, en ook een mensje-in-wording, is niet iets om vrijmachtig over te beschikken. Het is iets heiligs! En ik zeg dat bewust zo. Want ik denk dat hier de voornaamste reden is dat abortus tegenwoordig breed geaccepteerd wordt. Dat de verwondering weg is, het ontzag over het wonder van het bestaan. Niet alleen van een ongeboren kindje, maar van ons allemaal. Als je niet meer weet dat Gód je omringt, je kent, je daden doorgrondt – dan gaat de diepte eruit. Dan ga je praktisch denken. Dan hangt waarde af van gewenst-zijn door ons, of van ontwikkelingsstadium, of nut. Dan is het leven niet meer een heilig wonder. En dat toont zich als eerste aan de randen van het leven, als een mens niets meer kan, of nog niets kan.
In ons land vinden wel 40.000 abortussen per jaar plaats, een stijging van 25% in tien jaar. Een getal klinkt abstract, maar het is dus wel: 40.000 keer een leventje dat wordt afgebroken, soms op akelige manieren – wie het wil weten zoekt het maar op internet. En momenteel dus: heel late abortussen, wat feitelijk neerkomt op een kindje veel te vroeg geboren laten worden zodat het sterft. Niets lijkt heilig… Het toont het diepe verval van ons land, het niet meer weten van eerbied, van ontzag, van verwondering. En voor alle duidelijkheid: dit is niet bedoelt om vrouwen te veroordelen die voor abortus kiezen, misschien vanuit diepe nood. Zij verdienen steun in hun moeilijke situatie. Maar het gaat om de grote ontwikkelingen eráchter. Wat zegt het, wanneer abortus als ‘mensenrecht’ wordt benoemd in plaats van als ‘misschien soms nog het minste kwaad’? Dat God uit het denken afwezig is, dat in elk geval. Terwijl Hij ons allen omringt!

PUNT 3: afkeer voor wat van Gods weg afwijkt (vers 19-24)

[afkeer van wat afwijkt van Gods weg]
En dan nog het derde punt. Vers 19 en verder. Het zijn zinnen uit de psalm waar al door heel wat mensen aanstoot aan is genomen. Zo’n mooi gedicht, en dan dit. ‘Breng de goddelozen om… haat…’ Bij uitvaarten maak ik het ook altijd mee: als deze psalm gelezen wordt, dat de familie dan zegt ‘laat dat stukje maar weg’. En dat doe ik ook, want zonder toelichting wekt het slechts afkeer.
Wat staat hier? De dichter is dus diep geraakt door God, die er altijd en overal is, die Hem kent, en die al vanaf het begin bij hem was, al van vóór hij geboren werd. Maar nu heeft hij ook te maken met mensen die zich van God niets aantrekken. Die de dichter misschien bedreigen, of op zijn minst uitlachen. En… die vreselijke dingen doen, die zelfs medemensen vermoorden. “Jullie die bloed vergieten” worden ze genoemd in vers 19. Naar zulke mensen kijkt de dichter met afkeer. Hoe kún je zulke dingen doen, als je beseft dat God overal is, je ziet en doorgrondt? Hoe kán het dat deze mannen niet Gods weg gaan, dat voor hen geen leven heilig is? En in verontwaardiging roept hij uit: ‘o God, roei zulke geweldplegers toch uit! Ik háát wie zo doen’. Een uiting van diepe emotie!
Let wel, de dichter gaat ze niet zélf iets aandoen, gelukkig. Dat kon hij waarschijnlijk ook helemaal niet. Maar hij brengt zijn afkeer bij God. O God, dóe er iets aan, dit kan toch niet?
Kijk, en zo heeft het toch raakvlakken met waar we het net over hadden. Als je hoort over de abortuspraktijk in Nederland, en dat het je ráákt. Dat het je vult met verontwaardiging, woede zelfs. Is er dan helemaal geen gevoel meer voor wat heilig is? Geen eerbied voor God en voor wat Hij vormt? Hoe kán een arts dag aan dag zulke ingrepen uitvoeren? En je roept uit, net als de dichter: o God, dóe er iets aan! Dit kan toch niet! Ik háát het. Ja, hier wel oppassen. De psalm zegt ‘ik haat hén’ – Jezus leert ons iets anders. Maar voel je iets mee van die afkeer? Juist als je de psalm tot nu toe helemaal hebt meegemaakt: dat God alles ziet, dat Hij elk mensenleven weeft… Dan kún je niet neutraal staan tegenover wat in Nederland normaal is.

[oproep om op te staan]
Dan roept het je afkeer op. En dan sta je ertegenop, voor zover je kunt. En daar sluit ik mee af. Want wat kun je doen? Vaak voel je je machteloos, net als de dichter dat waarschijnlijk was. Van die grote bewegingen in de maatschappij. Geestelijke machten daarachter, ook dat moeten we niet vergeten… Wat kun je doen? Wel, allereerst het bij God brengen. Bidden! Net als de dichter hier doet. Hij roept tot God, die alles ziet. En waar wij ons machteloos kunnen voelen – God heeft alle macht. Hij is groter dan elke maatschappelijke beweging, sterker dan elke geestelijke macht. Dus bíd! Wees maar een geestelijke strijder in gebed. Juist ook nu, nu er dingen in beweging zijn, kan God een kantelpunt geven in wat wij als maatschappij normaal vinden. En heel concreet: de stemming over die proef met zeer late abortussen is dinsdag over een week. Dus juist nú: bid ertegen. Gebed heeft kracht!
Wat kun je doen? Je uitspreken tegen het vogelvrij zijn van ongeboren leven. Het gesprek aangaan, als dat een keer kan. Abortus is niet iets waar mensen vaak over spreken – alsof ze wel voelen dat het toch iets akeligs is. Maar laat er maar eens licht op vallen, en schaam je niet. En tegelijk: soms blijkt dat je écht in verschillende werelden leeft. Leven uit ontzag, eerbied, God? Er gaapt een kloof tussen de psalm van vandaag en het levensgevoel van zoveel Nederlanders. Maar wijs maar gewoon op het wónder – God kan het gebruiken!
Onze Protestantse Kerk is wat dat betreft helaas nogal zwijgzaam. Maar laten wíj ons dan uitspreken. Er loopt momenteel bijvoorbeeld een petitie tegen die proef met zeer late abortus: teken die maar. Wie weet wat het nog uitwerkt.

[slot]
Ach, en er zou nog veel meer te zeggen zijn. Maar ik moet afronden. Laten we ook de slotwoorden van de psalm maar ter harte nemen “doorgrond míj, o God”. Niet van ‘zij zijn blind en wij zijn beter’. Welnee! Wij als christenen hebben net zo goed blinde vlekken. En bovendien, het is heel makkelijk om tégen dingen te zijn. Waar ben je vóór? En voor wie zet je je in? Kan een ongewenst zwanger meisje bij ons terecht, of vind je daar eigenlijk wat van?
“Doorgrond ons, o God”. Wie weet van Hem, zoekt in alle eenvoud Zijn wegen te gaan, en beseft tegelijk zijn falen. Maar ook daar weet God van. Hij omringt ons, Hij kent ons. Meer nog: Hij heeft ons lief. Mogen we leven vanuit dát diepe besef, waar de dichter van zong!

Amen