Tags
1 Johannes, preek, Psalmen, schuldbelijdenis, vergeving, wet
Uit de Bijbel is gelezen: Psalm 32 en 1 Johannes 1:5–2:6 (NBV21)
Onderdeel van de serie ‘kerk in het krachtenveld van Christus’, over de onderdelen van de eredienst
Gemeente van Jezus Christus,
Inleiding
We lazen uit Psalm 32. Wat een vrolijke psalm! Hij begint met het woord ‘gelukkig’: ‘Gelukkig de mens’. Dat is echt een woord dat straalt. En ook midden in de psalm en aan het einde klinkt die blijdschap door: [lees voor Psalm 32:7b en 11].
Waar gaat deze psalm dan over? Misschien had u het niet verwacht, maar de psalm gaat over schuldbelijdenis. Over het opbiechten van je zonden. Over het toegeven van je fouten.
Dat is toch vreemd? Is dit nu een onderwerp waar je vrolijk van wordt? Bij zo’n onderwerp verwacht je eerder een ingetogen toon. En toch wordt de dichter van deze psalm er blij van. Waarvan precies? Van het feit dat hij zijn schuld bekent voor God. Hoe kan dat?
Daarover gaan we het vandaag hebben. Het thema van de preek is: ‘wet en schuldbelijdenis’. Dat is iets wat hier in de kerk elke week terugkomt: Gods goede regels, zijn wet, en hoe wij daarbij tekortschieten.
Twee dingen die misschien ouderwets klinken. ‘De wet’ is niet bepaald hip. En ‘schuldbelijdenis’ is helemaal iets wat je buiten de kerk bijna nooit tegenkomt. Maar ik hoop dat we vandaag gaan merken dat dit juist heel relevante zaken zijn voor onze tijd. We hebben ze hard nodig, als mens en als maatschappij. ‘Wet en schuldbelijdenis’: zo actueel als wat.
Wat er in onze maatschappij leeft
Over ‘zonde’ zal het tegenwoordig niet snel gaan. En toch lopen er heel wat mensen rond met het gevoel dat ze tekortschieten. Het gevoel dat ze mislukken. Mensen die zich schuldig voelen over dingen, of die zichzelf tegenvallen. Opvallend veel jongeren zijn depressief.
Hoe komt dat? Onder andere hierdoor: onze maatschappij legt de lat hoog. Je moet ‘de beste versie van jezelf zijn’. En ‘succes is een keuze’. Overal zie je ogenschijnlijk geslaagde mensen. Op social media zijn ze nooit chagrijnig of moe. In films mislukken gesprekken nooit. Je ziet leeftijdsgenoten die meer bereiken dan jij. En jij wilt het ook goed doen!
Dat geeft veel druk en een gevoel van falen. En het is ongenadig, want ik ben niet altijd geslaagd. Vroeg of laat kom je daarachter.
En het gaat nog dieper. Je wilt graag denken dat je een goed mens bent, maar ook dat valt tegen. In sommige Bijbelkringen is het boekje van Tish Warren gelezen; in hoofdstuk 4 beschrijft zij dit geweldig. Je denkt dat je van binnen best oké bent, totdat er een of andere crisis komt. Geen grote crisis, hoor, niet een van leven of dood. Het kan iets zijn als je sleutels kwijt zijn, of een belangrijke afspraak die je vergeten bent. En daar ga je: je wordt boos en bang. Je doet heel onvriendelijk tegen degene die toevallig naast je staat, of dat nu je man of vrouw is, je kind of een omstander. Er hoeft maar iets te gebeuren en je denkt duistere gedachten en maakt slechte beslissingen. Achteraf voel je je schuldig. Herkenbaar?
De maatschappij is hard voor wie dingen fout doet. We zijn vaak hard voor onszelf: we leggen onszelf langs allerlei meetlatten. En we zijn ook hard voor anderen. Als een bekend iemand over de schreef gaat, wordt hij of zij compleet afgebrand op internet en daarbuiten. Die persoon kan het wel vergeten.
Er wordt heel wat langs de meetlat gelegd. Onze tijd is hard. Genadeloos, zeg ik als dominee. Er ligt veel druk, en heel wat mensen merken dat ze het niet halen en falen. Ze voelen zich moe en eigenlijk waardeloos. Wie ben ik nu helemaal?
Dat is allemaal niet erg positief. Maar hoe kom je eruit? Dat zal ik zeggen. Wat wij als maatschappij missen, is precies waar het vanmorgen over gaat: Gods wet en schuldbelijdenis. Die zouden ons helpen. Als we onszelf dan toch langs allerlei meetlatten leggen, laten we het dan langs de goede doen!
Waarom we de wet lezen
Eerst iets over de wet. Elke zondag klinkt hier in de kerk Gods wet en horen we wat Hij wil. Dat gebeurt in de hele dienst, maar vooral aan het begin: de tien geboden, of een andere leefregel uit de Bijbel. Waarom doen we dat eigenlijk?
Onlangs las ik een mooi voorbeeld. Een kerk ging uit en de mensen stonden nog wat bij de kerk te praten. Er kwam iemand langs, die schamper zei: ‘Nou, heb je weer gehoord dat je lief moet zijn voor elkaar?’ Blijkbaar was hij geen fan van de kerk.
Maar is dat waar het om gaat als we Gods wet horen? Dat we horen hoe het moet, dat we ‘lief moeten zijn voor elkaar’? Dat ook wel, maar niet alleen. Daar heb je geen kerk voor nodig. In Gods wet horen we nog iets heel anders, en dat wil ik vandaag benadrukken: we horen dat wij zo best niet zijn, en dat dat niet het einde van de wereld is.
Vanouds is gezegd dat het lezen van de wet in de kerkdienst twee functies heeft. Ten eerste is de wet een leefregel: zo hoort een mens van God te leven. Maar ten tweede is de wet ook een spiegel, waar je in kijkt om te zien of je jezelf herkent. Ze is een maatstaf om jezelf aan af te meten. Dat kwam vandaag duidelijk naar voren [formulier voorbereiding HA]: doe ik het zo?
Dat klinkt niet fijn: een meetlat voor het leven, een wet die je ook nog overtreedt. Toch is het goed! Waarom? Omdat dit de juiste maatstaf is. Als we ons tekort voelen schieten en falen, is dat dan terecht?
Soms voelen we ons schuldig of mislukt terwijl dat in Gods ogen helemaal niet hoeft. ‘Gij zult succesvol zijn’ is geen gebod van Hem. En soms denken we dat we lekker bezig zijn, terwijl dat in Gods ogen tegenvalt. Wie zegt dat ‘je gevoel volgen’ goed is?
Ja, je moet het goed doen: dat is de norm van vandaag. Maar wat is goed? En wat is fout? Om dat te weten heb je Gods wet nodig, heb je de Bijbel nodig. Hij wijst ons een weg en Hij laat ons in de spiegel kijken. Dat verheldert enorm! Volgens mij hebben sommige mensen daar veel last van: ze weten niet echt wat ze verkeerd doen, en toch voelen ze zich tekortschieten.
In de wirwar van normen en verwachtingen mag je hier in de kerk elke week horen: dit is wat goed is. Dit is Gods wil. Dit maakt je gelukkig, en dat niet. Niet liegen, nooit. Niet stelen. Niets tot afgod maken. Rust nemen en God eren. Enzovoort. Of je je er dan ook aan houdt, is nog iets anders. Maar je weet in elk geval waar je jezelf aan moet afmeten.
Dan valt heel wat van het gevoel van tekortschieten misschien wel weg: een gevoel dat ons is aangepraat door de tijd waarin we leven, waarin je knap, sportief en succesvol moet zijn. Tegelijk ga je zien dat je in andere dingen meer tekortschiet dan je door had. Dat ‘voor jezelf kiezen’ is dan geen deugd, maar vaak juist verkeerd.
Daarom horen we elke week de leefregel hier in de kerkdienst. Gods wet wijst de weg in een stuurloze tijd. En Gods wet houdt je de spiegel voor, waardoor je jezelf leert kennen.
Schuld belijden is bevrijdend
Dat brengt ons bij het tweede, de schuldbelijdenis. Ik pak het voorbeeld van de man met zijn schampere opmerking er nog even bij: ‘Nou, heb je weer gehoord dat je lief moet zijn voor elkaar?’ Wat zeg je dan terug? Misschien dit: ‘We hebben juist gehoord dat we dat vaak niet zijn.’ Dan had die ander vast opnieuw reden om zich te ergeren: ‘O ja, zonde. We zijn grote zondaars; de kerk wrijft het er weer in.’
Inderdaad: hier in de kerk, in het krachtenveld van Christus, leren we dat we zondaars zijn. Moderner gezegd: dat we falen en fout zitten. Maar is dat erg? Nee, het is waar! Sterker nog: het uitspreken is bevrijdend. En dat leren we in de kerk. In het gebed aan het begin van de kerkdienst komt het, als het goed is, altijd terug: schuld belijden en vergeving vragen. En dat is goed!
Waarom is het goed? In ons hart weten we allemaal dat we niet perfect zijn. We laten steken vallen en doen soms gewoon boosaardige dingen. Maar uit onszelf stoppen we dat diep weg. We willen het niet weten! We presenteren liever het positieve plaatje, want falen is geen optie.
Wat is daarvan het gevolg? Psalm 32 spreekt er beeldend over: ‘Zolang ik zweeg, teerde ik weg… mijn kracht smolt weg.’ Van binnen gaat het niet goed. Als je je fouten ontkent – en die hebben we allemaal! – dan kun je niet bloeien, maar verdor je. Dat doen we met zijn allen in onze maatschappij: we houden het mooie plaatje in stand, en daar word je doodmoe van.
Juist het belijden, het uitspreken, is bevrijdend. Ik ben niet perfect, verre van dat. En dat is nu precies iets wat je in de kerk leert, in het krachtenveld van Christus. Schuld belijden is bevrijdend.
Maar dat geldt wel als je het uitspreekt voor God. Lees maar verder in de psalm. Want als je het niet voor God doet, kom je niet verder dan: ‘Nou, zo ben ik nu eenmaal. Dat moet ik maar accepteren.’ Nee, hier in de kerk leer je het toe te geven voor de ogen van God. De psalm gaat verder: ‘Toen beleed ik U mijn zonde, ik dekte mijn schuld niet toe.’ Dat is kwetsbaar: je fouten toegeven tegenover niemand minder dan God, de hoogste rechter. Dat kan alleen als je weet wie Hij is: een God die barmhartig is en vergeeft.
Het probleem zit dus niet bij het vergeven, maar bij het toegeven. Ik zeg het nog een keer: het probleem zit niet bij het vergeven, maar bij het toegeven. Wij zijn van het toedekken van onze fouten, zegt de psalm. Als wij onze fouten toedekken, voor onszelf, voor God en voor anderen, dan laat dat ons verdorren. Maar als God ze toedekt, dan gaat het goed. In het Hebreeuws is het kernwoord voor ‘vergeven’ hetzelfde als dat voor ‘toedekken’. Wij hoeven het niet te doen, wij hoeven alleen eerlijk te worden. Dan doet Hij het. En dat is echt bevrijdend!
God vergeeft, als wij maar belijden
Psalm 32 zegt het zo eenvoudig: [lees voor Psalm 32:5b]. Bekennen, eerlijk zijn, en vergeven worden door God. Er zit niets tussen. Er is geen verplichte boetedoening. Er is geen speciaal gevoel dat je eerst moet krijgen voordat je het mag geloven. Nee, het gebeurt meteen. Zo ook in 1 Johannes 1:9: [clees voor]. Dat mag je geloven. Als jij je fouten en falen uitspreekt naar de hemelse Vader, dan is Hij niet boos en straft Hij niet. Dan vergeeft Hij, dekt Hij toe en doet Hij weg. Meteen, ik zou bijna zeggen: vanzelf. Dat belooft Hij in deze Bijbeltekst.
Natuurlijk gaat het niet echt vanzelf. Het is een wonder. Kwaad verdient consequenties; het verdwijnt niet zomaar. Maar hoe dat kan en hoe dat gaat, staat ook in de Bijbel. Niet zozeer in de psalm, dus in het Oude Testament, maar in het Nieuwe Testament, in 1 Johannes: [lees voor 1 Johannes 2:1b en 1:7b]. Jezus is de basis voor de vergeving. Hij heeft zijn bloed en zijn leven gegeven om vergeving voor ons mogelijk te maken. Hij droeg de zonden, onze lafheid, onze boosaardigheid, alles, en droeg ze weg, tot in de dood. Hij dekt het toe met zijn dood, met een zware grafsteen. Dat wilde Hij voor ons doen.
Er staat nog een sterker woord in 1 Johannes 2:2: ‘verzoening’. Onze zonden worden niet alleen weggedaan, maar ook de relatie wordt hersteld [zie kindermoment]. Je mag weer een kind van de hemelse Vader zijn. Dat is het grote wonder: mijn identiteit ligt in Christus, niet in wat ik er zelf van maak. Ik zeg het nog een keer: mijn identiteit ligt in Christus, niet in wat ik er zelf van maak. Dat moeten we steeds weer leren. En dat leren we in de kerk, in het krachtenveld van Hem. Juist als we de wet horen en leren schuld te belijden, leren we daarin te staan: in de vergeving en de verzoening van Hem!
Ja, als wij in de spiegel kijken en onze fouten toegeven, onze zwarte zonden, dan wil God vergeven. Geloof dat maar vast!
Soms is dat moeilijk te geloven. Zeker als je jezelf echt tegenviel, als je een zware misstap maakte waar je liever niet over praat. Maar je mag het geloven, omdat God het wil beloven. Als je het lastig vindt, helpt het om erover te praten met iemand anders. Dat mag ook met mij. Maar als het goed is, klinkt het elke week door in de preek: God vergeeft!
En nee, dit is geen goedkope genade, een principe van ‘God vergeeft toch wel’. Johannes is daar ook heel duidelijk over: wie bij de Heer hoort, moet zijn geboden volgen. Vergeving is geen vrijbrief om maar een eind weg te leven. Maar vergeving is wel bevrijdend als je merkt dat het je zo vaak niet lukt.
Slot
Wat is het zegenrijk om hier in de kerk in de spiegel te kijken en te leren belijden. Het is bevrijdend voor jezelf. Maar het bepaalt ook hoe je met anderen omgaat. Je schrijft anderen niet af bij een fout, maar je hebt geduld en genade met ze. Jezus zegt het in het Onze Vader: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.’ Wie zelf elke week opnieuw leert leven van vergeving, zal ook anderen sneller vergeven. Dat is een opdracht van God, en een verademing in onze snoeiharde maatschappij!
Door wet en schuldbelijdenis komen we telkens weer bij de kern van het geloof. Die is: God vergeeft, en dat heb ik nodig. En ook: niet mijn daden bepalen wie ik ben, maar Christus bepaalt wie ik ben! Gelukkig ben je als dat je basis is. Het mag nooit naar de achtergrond raken.
Daarom: doe het telkens weer. Kijk in de spiegel en belijd je schuld. Doe dat in onze diensten, maar ook persoonlijk, elke dag. Eindig je dag ermee: danken, én vergeving vragen. Niet als een sombere afsluiting van de dag, maar als opruiming, zodat je schoon kunt gaan slapen. Want God vergeeft!
Schuldbelijdenis is een vrolijke zaak, want het zet je recht. God zet je recht. Weet u nog hoe we begonnen? Psalm 32 is een vrolijke psalm. Want als je je schuld belijdt, is er vergeving. En daar word je pas echt blij van.
Ik denk weer aan de man die schamper kijkt naar mensen die de kerk uitkomen. Ik hoop dat hij denkt: ‘Nou, hoe kan het toch? Ze zitten in zo’n traditionele kerk, horen binnen over regels en zonde en zo, en komen zó blij naar buiten!’
Kijk, en dat is het geheim van Psalm 32: ‘Gelukkig de mens, van wie de zonden zijn vergeven… zing het uit, u die oprecht bent van hart.’
Amen.