Tags

, , ,

Gemeente van Jezus Christus,

 

[intro: verbonden met Israel??]
in de kerkorde van onze protestantse kerk staat dat we als kerk “onopgeefbaar verbonden zijn met Israël”. Dat is een uitspraak waar regelmatig discussie over is. Ook deze week werd er weer opgeroepen om die regel te schrappen uit de kerkorde.
De weerstand komt natuurlijk door de dingen die in het land Israël gebeuren, en die de staat Israël doet. En dat zijn inderdaad dingen waar bij mij soms de haren van overeind gaan staan – en niet alleen bij mij. In de huidige Israëlische regering zit een minister, Ben-Gvir geheten, en die gaf vorige maand nog als zijn mening dat er elke dag 30 a 40 Palestijnen gedood zouden moeten worden, en hij noemde ze ‘nauwelijks menselijk’. Of denk eens aan de 2,2 miljoen mensen die opgesloten zitten in een Gazastrook die één ruïne is, terwijl het gedeelte waar ze zich mogen bewegen ook nog verkleind is. Denk aan alle burgerdoden die daar gevallen zijn. Nee, en ik vergeet niet wat Hamas deed op 7 oktober 2023… Maar dan nog. Of denk aan Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, die Palestijnse families wegpesten, water afsnijden, olijfbomen vernielen – meestal ongestraft.
Zo zou ik door kunnen gaan. Israël als staat ligt momenteel niet goed in de publieke opinie, en niet zonder reden. Wat dan, dat zeg ik erbij, al heel snel weer doorschiet naar afkeer van Israël als volk of als geloof, of van alle Joden ook in ons land…
Het lastige is, dat “Israël” heel verschillende dingen kan betekenen. Je kunt bedoelen de huidige staat Israël, Je kunt bedoelen het stuk land aan de Middellandse Zee. Je kunt bedoelen Israël als volk, als etniciteit. Je kunt ook vooral bedoelen Israël als geloofsgemeenschap. Wat bedoelt de kerkorde van onze kerk als er staat dat we ‘onopgeefbaar verbonden zijn met Israël’? Laat ik dan meteen een misverstand wegnemen: dan is níet bedoeld de staat Israël. Daar mag je als christen kritiek op hebben. Ook niet het rabbijnse Jodendom allereerst. Onze kerkorde bedoelt met ‘Israël’ het volk Israël in Bijbelse zin, de groep mensen aan wie God zich verbonden heeft en aan wie Hij beloftes heeft gedaan. Want ja, daar heeft een christen iets mee, of je wilt of niet. Omdat Gods weg niet pas bij Jezus begon, omdat het familie-album van het Joodse volk in onze Bijbel is opgenomen [zie kindermoment], en om nog meer redenen. Vanmorgen wil ik íets daarvan uitlichten.

 

[God eren om wat Hij ons geeft in Jezus]
Ik wil vanmorgen met u stilstaan met wat we lazen in Romeinen 15. Wij hier zijn, voor zover ik weet, niet voor Joodse afkomst. Dus laten we maar beginnen bij vers 9. Daar staat “dat Christus, om te tonen dat God barmhartig is, ook gekomen is om de andere volken in staat te stellen God te loven”. Die andere volken, dat zijn wij. Jezus Christus maakt dat wij God kunnen loven. Waarom dan? Nou, om alles wat we door geloof in Jezus mogen ontvangen! Vers 13 noemt het een en ander. Hoop. Vrede, vreugde, de kracht van de Heilige Geest.
Er is inderdaad meer dan genoeg reden om God te loven en te danken. Het is goed om dat altijd te beseffen, en om het dan ook te doen! Dat is één van de redenen dat we in elke kerkdienst zingen: om God te eren. Omdat hij ons hoop geeft: uitzicht op eeuwige leven, en nu al een leven verbonden aan God. Daar heeft Jezus voor gezorgd, u weet het hopelijk. Hij gaf zijn leven, om al ons kwaad te verzoenen. Hij stond op uit de dood – en wij mogen delen in zijn nieuwe leven. Ook opstaan.
Hoop dus. Maar daarbij ook vreugde en vrede: een leven in zijn licht, als kind van God. Mogen weten dat je Schepper ook je hemelse Vader is. Kracht ontvangen door de Heilige Geest die in je woont. Daar heeft Jezus allemaal voor gezorgd! Daar mag je als christen dankbaar en blij voor zijn. Daarvoor mag je inderdaad God wel loven. Om zijn barmhartigheid, zoals vers 9 het benoemt. Zijn onverdiende goedheid voor ons.

[Jezus toont allereerst Gods trouw aan Israël]
Ik begon met vers 9, omdat dat op ons slaat. Echter, dat is maar een halve zin. Het is de tweede helft van een tekst die we vanmorgen in zijn geheel eens goed moeten horen. Romeinen 15 vers 8 en 9: “ik zeg u”, Paulus spreekt met nadruk, “dat Christus een dienaar van de Joden is geworden om te tonen dat God trouw is en om de belofte aan hun voorouders waar te maken, en dat Christus, om te tonen dat God barmhartig is, óók gekomen is om de andere volken in staat te stellen God te loven”. Een lange zin misschien, maar een zeer belangrijk. Een zin met tweede helften. Laten we het een beetje afpellen. Er staat eerst dat Christus een dienaar van de Joden is geworden, en dan dat hij ook gekomen is voor de andere volk. Dus Jezus kwam voor het Joodse volk, dat als eerste, en dan ook voor de rest van de mensen. Het is zoals in Romeinen 1:16 staat, ook dat lazen we “voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken”.
Daarnaast is er nog een tweedeling in de tekst. Dat Christus kwam voor alle volken toont Gods barmhartigheid – zijn liefde, zijn compassie met mensen. Dat Christus kwam voor de Joden toont Gods trouw – dat Hij doet wat hij zegt.
Jezus’ komst toont Gods trouw, dat is belangrijk. In Hem werden de beloftes vervuld die God aan Israël deed. Jezus kwam niet uit de lucht vallen zogezegd. Er waren al beloftes aan Israël, en die kwam Hij vervullen.
Voor de mensen in Paulus’ tijd was het nieuw dat alle volken bij God mochten horen, als ze maar in Jezus geloofden. Daarom gaat Paulus dat Bijbels onderbouwen met citaten de Tenach, het oude testament, in vers 9 tot 12. Bij ons ligt het eerder omgekeerd. Natuurlijk kwam Jezus voor ons, denken wij. En dat Jezus nog iets speciaals met Israël heeft, tja… Beseffen we dat?
Je ziet het al foutgaan in de geloofsbelijdenissen van de kerk. “Ik geloof in God de Vader, Schepper van hemel en aarde” – en wat volgt er dan? “…en in Jezus Christus, zijn eniggeboren zoon, onze Heer”. Dus van de schepping springen we meteen naar Jezus. Zo wordt het hele oude testament overgeslagen; dat nota bene qua dikte 3/4 van de Bijbel is. Het is net als wat ik in het kindermoment zei: dat je van opa’s leven alleen het deel vertelt dat jij hebt meegemaakt als kerk. Maar waar is dan Israël gebleven? Waar belijden we dat Jezus’ komst allereerst de vervulling was wat God aan Israël beloofd had?
Dan is het goed dat we vandaag naar de Bijbeltekst luisteren. “Ik zeg u dat Christus een dienaar van de Joden is geworden om te tonen dat God trouw is en om de belofte aan hun voorouders waar te maken, én dat Christus, om te tonen dat God barmhartig is, ook gekomen is om de andere volken in staat te stellen God te loven”

[Gods beloftes aan Israël die in Jezus vervuld worden]
Ja, Jezus kwam niet allereerst om ‘ons’ eeuwig leven te geven. Jezus kwam allereerst voor Israël. Waarom? Omdat God beloftes had gedaan aan zijn volk. En die worden waar in Hem.
In het oude testament staan heel wat beloftes, Ik kan er vanmorgen slechts twee uitpikken. En dan neem ik meteen de twee grootste: de belofte aan Abraham, en de belofte aan David.
God riep Abraham, één mens uit de mensheid die het besef van hem verloren had. Aan Abraham beloofde Hij allereerst die basiszegen die het fundament van alles is: “Ik zal jouw God zijn” – en ook die van je nakomelingen. God verbindt zich aan Abraham en zijn familie, aan Israël, als hún God. Hij belooft ook om hen het land Kanaän te geven. Maar dat niet alleen, hij zegt er meteen al bij “in jou zullen alle volken op aarde gezegend worden”. Dat de eerste belofte, die aan Abraham.
Dan is er ook nog de belofte aan David, we hoorden er deze zomer over. God beloofde dat er altijd een nakomeling van David zou regeren, tot in eeuwigheid. Twee grote beloftes.
De vervulling ervan was een grote strijd, onder andere door de ontrouw van Israël. Maar God bleef trouw. En uiteindelijk kwam Jezus, de nakomeling van David. Hij maakt de beloftes waar – zij het op een onverwachte manier, door de diepte van kruis en opstanding heen. Jezus is het, die als Zoon van David eeuwig regeert, aan Gods rechterhand – de belofte aan David. En door Hem is de zegen niet alleen voor de nakomelingen van Abraham. Nee, Jezus maakt waar wat al aan Abraham beloofd werd “alle volken op aarde” – ze mogen delen in de zegen, dankzij Hem.
Hier zou veel meer over te zeggen zijn. Maar houd dit vast: Jezus’ komst was allereerst de vervulling van alles waar het Oude Testament van sprak. Van Gods beloftes! Zijn komst toonde Gods trouw, aan Israël. En wij, wij mogen méédelen in de zegen.

[waarom van belang?]
Nu kan ik me voorstellen dat iemand denkt: nou, ingewikkeld allemaal, wat maakt het uiteindelijk uit? Ik ben blij dat ik bij de Heer mag horen, en dat was ik al! Wat voegt dit toe? Toch is het goed om te beseffen wat de tekst van vandaag ons voorhoudt. En wel om drie redenen.
Ten eerste: het leert je bescheidenheid. Wat God ons geeft is geweldig: hoop, vreugde, vrede, eeuwig leven, de Heilige Geest. Daar kun haast je niet té groot van spreken. Maar besef wel: het draait niet om ons alleen, of allereerst. Wij mogen méédelen, in sommige beloftes van Israël. Dat mag ons bescheiden maken, juist ook omdat christenen zich in het verleden nogal eens verheven hebben boven Israël.
Ten tweede: als je iets beseft van de grootheid van Gods plannen, als je Bijbel weer de volle dikte krijgt, dan is dat reden om God met nog meer ontzag te eren. Hem eren, niet alleen voor zijn barmhartigheid, maar ook voor zijn trouw. “Groot is uw trouw, o Heer” “eeuwen komen, eeuwen gaan, voor eeuwig blijft uw woord bestaan”. Zo ga je dan zingen.
En ten derde: onze tekst is een tegengif tegen de gedachte dat Israël zou hebben afgedaan in Gods plan, als een voorbij stadium uit het verleden. Nee, God is trouw aan zijn beloftes. “voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken”. En dan mogen we ook uitkijken naar de vervulling van beloftes die nog uitstaan voor Israël.

[God eren ‘samen met’ lukt nu niet]
Want ja, er is wel een probleem, als we onze tekst lezen. Het gaat over God eren, sámen met Israël, het volk van zijn verbond. Alleen, dat ‘samen’, dat lukt nu net niet. Het was Gods bedoeling, de profeten voor zagen het al, dat Israël een licht zou zijn voor de volken. Dat de volken zullen toestromen naar Sion om daar mee te doen met de aanbidding. Alleen… zo is het niet. Jezus, de Zoon van David, de vervuller van Gods beloftes, werd en wordt door het grootste deel van zijn volksgenoten niet aanvaard als de Verlosser. Wij, Jezus-gelovigen uit de volken, kunnen onze vreugde om wat we in Christus krijgen, níet delen met het volk dat God uitkoos. We kunnen niet samen danken om Gods trouw en barmhartigheid die de wereld omspant.
En dat, dat doet pijn, als het goed is. Vaak is die pijn niet gevoeld. Vaak zag de kerk er ook helemaal niet naar uit om samen met Israël God te loven. Maar Paulus voelde het wel, en ik hoop wij ook. Jezus kwam allereerst voor Israël – maar Hij werd niet aanvaard. Slechts weinigen uit de Joden erkennen Hem als Heer. Een pijnlijk mysterie is dit. Het is een mysterie waar Paulus in hoofdstuk 9 t/m 11 van zijn brief uitgebreid over nadenkt, en wat ons ook mag raken.

[samen uitzien naar het Koninkrijk]
En toch moeten we niet in mineur eindigen. Want toch, toch delen vrome Joden en Christusgelovige heidenen iets. Ook dat staat in de kerkorde van onze kerk. Wat dan? “Delend in de aan Israël geschonken verwachting, strekt de kerk zich uit naar de komst van het Koninkrijk van God”, zegt de kerkorde. We delen verwachting. Verwachting van het Koninkrijk van God, waar de profeten over spraken, en waarvan wij geloven dat het in Jezus begonnen is waar te worden. Het uitzien naar Gods toekomst. De hoop, waar vers 13 over spreekt, de hoop die God geeft. Die is gemeenschappelijk!
Als christenen mogen we uitzien naar de dag dat Jezus, de Messias, komen zal om te regeren. De dag dat het Koninkrijk van God aanbreekt, alle onrecht wordt gebroken, er vrede zal zijn en recht. Daar ziet een vrome Jood óók naar uit. Naar de dagen van de Messias. En inderdaad, dan is er verschil. Wij verwachten Jezus terúg, zij verwachten de Messias nóg. Maar toch…We mogen geloven: Israël zal eens Jezus erkennen, herkennen, als degene in wie Gods beloften waar worden. Wanneer? Als Jezus terugkomt, of eerder al? Daar verschillen de meningen over.

[slot: God blijft trouw]
Maar waar het me om gaat: God is trouw, trouw aan Israël. Er zijn beloftes van Hem die nog uitstaan. Welke precies, en hoe ze vervuld zullen worden, dat is stof voor discussie en onderzoek. Je moet ook oppassen daar een soort schema van te maken, al mag je alert zijn of je al iets ziet. Maar boven alle beloftes uit steekt deze ene: dat eens Israël haar Messias zal herkennen. Die belofte staat vast. En die is het belangrijkste. Want uiteindelijk draait alles om Jezus – dat geloven we toch?
Naar de vervulling van die belofte mogen we naar uitzien. Daar mogen en moeten we voor bidden. Niet alleen voor vrede in het land Israël, of voor recht door de staat Israël. Dat ook. Maar bovenal mogen we bidden om en uitzien naar de dag dat de Messias van Israël herkend zal worden door zijn eigen volk. Want dan zal heel de wereld daarin gezegend worden. Stel je voor: dat Jood en heiden sámen God aanbidden door Jezus Christus. Verenigd in die éne Naam die gegeven is tot zaligheid! Dat zal wat zijn. Wat zullen dán Gods trouw en barmhartigheid stralen. Wat zal dán zijn lof alomvattend zijn!
Ja, daar mogen we naar uitzien. Wat de huidige staat Israël ook doet. Wat er ook gebeurt in het land Israël. Hoe weinig het Jodendom als geloof ook heeft met Jezus. Gods belofte stáát. En zo eindigen we toch weer bij het slotvers, vers 13. God, die ons hoop geeft. De hoop. Die mag er zijn. De hoop, dat het waar wordt. Dat ik mét Israël zal buigen voor Jezus, onze Heer. Zie ernaar uit, bid ervoor, vol vertrouwen. Bid, want er zijn nog beloftes!
En terwijl we uitzien, mogen we dankbaar zijn. God dankbaar loven voor wat wij mogen ontvangen, uit de schat van Israëls beloftes. Uit de schat van Israëls Gods. Door Jezus, de Zoon van David, onze Heer.

Amen